Pagina 526 van de Mushaf bevat 26 verzen. Ze behoort tot Djoez 27, Hizb 53.
Bijgewerkt op 10 juli 2026 om 03h41
coran.read_full_page : Pagina 526 van de Koran lezen →
وَٱلنَّجْمِ إِذَا هَوَىٰ ﴿١﴾
Ik zweer bij de ster als zij ondergaat.
مَا ضَلَّ صَاحِبُكُمْ وَمَا غَوَىٰ ﴿٢﴾
Uw makker Mahomet dwaalt niet, en hij is niet afgeleid.
وَمَا يَنطِقُ عَنِ ٱلْهَوَىٰٓ ﴿٣﴾
Evenmin als hij door zijn eigen wil spreekt.
إِنْ هُوَ إِلَّا وَحْىٌۭ يُوحَىٰ ﴿٤﴾
Het is niets anders dan eene openbaring die hem gedaan werd.
عَلَّمَهُۥ شَدِيدُ ٱلْقُوَىٰ ﴿٥﴾
Een die machtig is in macht. Leerde het hem
ذُو مِرَّةٍۢ فَٱسْتَوَىٰ ﴿٦﴾
Een met verstand begaafd.
وَهُوَ بِٱلْأُفُقِ ٱلْأَعْلَىٰ ﴿٧﴾
En hij verscheen in het hoogste gedeelte van den gezichteinder.
ثُمَّ دَنَا فَتَدَلَّىٰ ﴿٨﴾
Daarna naderde hij den profeet en kwam immer nader tot hem.
فَكَانَ قَابَ قَوْسَيْنِ أَوْ أَدْنَىٰ ﴿٩﴾
Tot hij op twee ellebogen afstands van hem, of nog nader was.
فَأَوْحَىٰٓ إِلَىٰ عَبْدِهِۦ مَآ أَوْحَىٰ ﴿١٠﴾
En hij openbaarde zijn dienaar, wat deze openbaarde.
مَا كَذَبَ ٱلْفُؤَادُ مَا رَأَىٰٓ ﴿١١﴾
Het hart van Mahomet stelde datgene wat hij gezien had, niet valschelijk voor.
أَفَتُمَـٰرُونَهُۥ عَلَىٰ مَا يَرَىٰ ﴿١٢﴾
Wilt gij dus met hem twisten, nopens hetgeen hij zag?
وَلَقَدْ رَءَاهُ نَزْلَةً أُخْرَىٰ ﴿١٣﴾
Hij zag hem ook op een anderen tijd.
عِندَ سِدْرَةِ ٱلْمُنتَهَىٰ ﴿١٤﴾
Bij den lotus-boom, naast welken geen doorgang is.
عِندَهَا جَنَّةُ ٱلْمَأْوَىٰٓ ﴿١٥﴾
Het is nabij den tuin van eeuwig verblijf.
إِذْ يَغْشَى ٱلسِّدْرَةَ مَا يَغْشَىٰ ﴿١٦﴾
Toen de lotus-boom bedekte, datgene wat bedekt is.
مَا زَاغَ ٱلْبَصَرُ وَمَا طَغَىٰ ﴿١٧﴾
Wendde zijn oog zich niet af, en dwaalde evenmin.
لَقَدْ رَأَىٰ مِنْ ءَايَـٰتِ رَبِّهِ ٱلْكُبْرَىٰٓ ﴿١٨﴾
En hij aanschouwde werkelijk sommige der grootste teekenen van zijn Heer.
أَفَرَءَيْتُمُ ٱللَّـٰتَ وَٱلْعُزَّىٰ ﴿١٩﴾
Wat denkt gij van El-Lat, en al Ozza.
وَمَنَوٰةَ ٱلثَّالِثَةَ ٱلْأُخْرَىٰٓ ﴿٢٠﴾
En Menat, die andere, derde godin?.
أَلَكُمُ ٱلذَّكَرُ وَلَهُ ٱلْأُنثَىٰ ﴿٢١﴾
Hebt gij mannelijke kinderen, en God vrouwelijke?.
تِلْكَ إِذًۭا قِسْمَةٌۭ ضِيزَىٰٓ ﴿٢٢﴾
Dit is dan eene onrechtvaardige verdeeling.
إِنْ هِىَ إِلَّآ أَسْمَآءٌۭ سَمَّيْتُمُوهَآ أَنتُمْ وَءَابَآؤُكُم مَّآ أَنزَلَ ٱللَّهُ بِهَا مِن سُلْطَـٰنٍ ۚ إِن يَتَّبِعُونَ إِلَّا ٱلظَّنَّ وَمَا تَهْوَى ٱلْأَنفُسُ ۖ وَلَقَدْ جَآءَهُم مِّن رَّبِّهِمُ ٱلْهُدَىٰٓ ﴿٢٣﴾
Het zijn slechts ijdele namen, welke gij en uwe vaderen godheden hebt genoemd. God heeft nopens hen niets geopenbaard, wat hunne vereering wettigt. Zij volgen slechts eene ijdele meening en wat hunne zielen begeeren; en toch is de ware richting van hunnen Heer tot hen gekomen.
أَمْ لِلْإِنسَـٰنِ مَا تَمَنَّىٰ ﴿٢٤﴾
Zal de mensch alles hebben, waarnaar hij wenscht?
فَلِلَّهِ ٱلْـَٔاخِرَةُ وَٱلْأُولَىٰ ﴿٢٥﴾
Dit en het volgende leven zijn Gods eigendom.
۞ وَكَم مِّن مَّلَكٍۢ فِى ٱلسَّمَـٰوَٰتِ لَا تُغْنِى شَفَـٰعَتُهُمْ شَيْـًٔا إِلَّا مِنۢ بَعْدِ أَن يَأْذَنَ ٱللَّهُ لِمَن يَشَآءُ وَيَرْضَىٰٓ ﴿٢٦﴾
En hoeveel engelen er ook in den hemel mogen zijn, hunne tusschenkomst zal niets baten. Tot God verlof zal hebben verleend, aan wien hem zal behagen, en zich zijner zal aannemen.