Pagina 448 van de Mushaf bevat 25 verzen. Ze behoort tot Djoez 23, Hizb 45.
Bijgewerkt op 10 juli 2026 om 03h41
coran.read_full_page : Pagina 448 van de Koran lezen →
يَقُولُ أَءِنَّكَ لَمِنَ ٱلْمُصَدِّقِينَ ﴿٥٢﴾
Die tot mij zeide: Zijt gij een van hen, die de waarheid der opstanding betuigen?
أَءِذَا مِتْنَا وَكُنَّا تُرَابًۭا وَعِظَـٰمًا أَءِنَّا لَمَدِينُونَ ﴿٥٣﴾
Nadat wij dood zullen zijn, en tot stof en beenderen veranderd wezen, zullen wij dan zekerlijk worden geoordeeld?
قَالَ هَلْ أَنتُم مُّطَّلِعُونَ ﴿٥٤﴾
Dan zal hij tot zijne makkers zeggen: Wilt gij nederzien?
فَٱطَّلَعَ فَرَءَاهُ فِى سَوَآءِ ٱلْجَحِيمِ ﴿٥٥﴾
En zij zullen nederzien en hem in het midden der hel ontwaren.
قَالَ تَٱللَّهِ إِن كِدتَّ لَتُرْدِينِ ﴿٥٦﴾
En hij zal tot hem zeggen: Bij God! er ontbrak weinig aan, of gij hadt mij verdorven.
وَلَوْلَا نِعْمَةُ رَبِّى لَكُنتُ مِنَ ٱلْمُحْضَرِينَ ﴿٥٧﴾
En was het niet door de genade van mijnen Heer, dan ware ik zeker aan eene eeuwige marteling overgeleverd geworden.
أَفَمَا نَحْنُ بِمَيِّتِينَ ﴿٥٨﴾
Zullen wij een anderen dan onzen eersten dood sterven?
إِلَّا مَوْتَتَنَا ٱلْأُولَىٰ وَمَا نَحْنُ بِمُعَذَّبِينَ ﴿٥٩﴾
Of ondergaan wij eenige straf?
إِنَّ هَـٰذَا لَهُوَ ٱلْفَوْزُ ٱلْعَظِيمُ ﴿٦٠﴾
Waarlijk, wij genieten eene groote gelukzaligheid.
لِمِثْلِ هَـٰذَا فَلْيَعْمَلِ ٱلْعَـٰمِلُونَ ﴿٦١﴾
Laten de arbeiders arbeiden om eene gelukzaligheid gelijk deze te verwerven.
أَذَٰلِكَ خَيْرٌۭ نُّزُلًا أَمْ شَجَرَةُ ٱلزَّقُّومِ ﴿٦٢﴾
Is dit een beter onthaal, of de boom van al Zakkum?
إِنَّا جَعَلْنَـٰهَا فِتْنَةًۭ لِّلظَّـٰلِمِينَ ﴿٦٣﴾
Waarlijk, wij hebben dien aangeduid als eene aanleiding tot twist onder de onrechtvaardigen
إِنَّهَا شَجَرَةٌۭ تَخْرُجُ فِىٓ أَصْلِ ٱلْجَحِيمِ ﴿٦٤﴾
Het is een boom die aan den bodem der hel ontspruit.
طَلْعُهَا كَأَنَّهُۥ رُءُوسُ ٱلشَّيَـٰطِينِ ﴿٦٥﴾
De vrucht daarvan gelijkt op de hoofden van duivelen.
فَإِنَّهُمْ لَـَٔاكِلُونَ مِنْهَا فَمَالِـُٔونَ مِنْهَا ٱلْبُطُونَ ﴿٦٦﴾
De verdoemden zullen daarvan eten, en hunne buiken daarmede vullen.
ثُمَّ إِنَّ لَهُمْ عَلَيْهَا لَشَوْبًۭا مِّنْ حَمِيمٍۢ ﴿٦٧﴾
Vervolgens zal hun een mengsel van vuil en kokend water te drinken worden gegeven.
ثُمَّ إِنَّ مَرْجِعَهُمْ لَإِلَى ٱلْجَحِيمِ ﴿٦٨﴾
Daarna zullen zij in de hel terugkeeren.
إِنَّهُمْ أَلْفَوْا۟ ءَابَآءَهُمْ ضَآلِّينَ ﴿٦٩﴾
Zij bevonden dat hunne vaderen dwalende waren.
فَهُمْ عَلَىٰٓ ءَاثَـٰرِهِمْ يُهْرَعُونَ ﴿٧٠﴾
En zij traden haastig in hunne voetstappen;
وَلَقَدْ ضَلَّ قَبْلَهُمْ أَكْثَرُ ٱلْأَوَّلِينَ ﴿٧١﴾
Want het meerendeel der oude volken dwaalden vóór hen.
وَلَقَدْ أَرْسَلْنَا فِيهِم مُّنذِرِينَ ﴿٧٢﴾
Wij zonden vroeger waarschuwers tot hen;
فَٱنظُرْ كَيْفَ كَانَ عَـٰقِبَةُ ٱلْمُنذَرِينَ ﴿٧٣﴾
Maar zie hoe ellendig het einde was van degenen, die gewaarschuwd werden.
إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ ﴿٧٤﴾
En die niet onze oprechte dienaren waren.
وَلَقَدْ نَادَىٰنَا نُوحٌۭ فَلَنِعْمَ ٱلْمُجِيبُونَ ﴿٧٥﴾
Noach riep ons in vroegere dagen aan, en wij verhoorden hem genadiglijk.
وَنَجَّيْنَـٰهُ وَأَهْلَهُۥ مِنَ ٱلْكَرْبِ ٱلْعَظِيمِ ﴿٧٦﴾
En wij bevrijdden hem en zijn gezin uit de groote ellende.