Pagina 528 van de Mushaf bevat 24 verzen. Ze behoort tot Djoez 27, Hizb 53.
Bijgewerkt op 10 juli 2026 om 03h41
coran.read_full_page : Pagina 528 van de Koran lezen →
وَأَنَّهُۥ خَلَقَ ٱلزَّوْجَيْنِ ٱلذَّكَرَ وَٱلْأُنثَىٰ ﴿٤٥﴾
Dat hij de beide kunnen: de mannelijke en de vrouwelijke, schiep.
مِن نُّطْفَةٍ إِذَا تُمْنَىٰ ﴿٤٦﴾
Van zaad als het uitgeworpen is.
وَأَنَّ عَلَيْهِ ٱلنَّشْأَةَ ٱلْأُخْرَىٰ ﴿٤٧﴾
Dat hem eene andere voortbrenging behoort, namelijk de wederopwekking hiernamaals, van den dood ten leven.
وَأَنَّهُۥ هُوَ أَغْنَىٰ وَأَقْنَىٰ ﴿٤٨﴾
En dat hij verrijkt, en bezittingen doet verkrijgen.
وَأَنَّهُۥ هُوَ رَبُّ ٱلشِّعْرَىٰ ﴿٤٩﴾
Dat hij den Heer van het hondsgesternte is.
وَأَنَّهُۥٓ أَهْلَكَ عَادًا ٱلْأُولَىٰ ﴿٥٠﴾
Dat hij den ouden stam van Ad verwoestte.
وَثَمُودَا۟ فَمَآ أَبْقَىٰ ﴿٥١﴾
En Thamoed; en niet een van hen liet leven.
وَقَوْمَ نُوحٍۢ مِّن قَبْلُ ۖ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ هُمْ أَظْلَمَ وَأَطْغَىٰ ﴿٥٢﴾
Als ook het volk van Noach, vóór hen: want zij waren ten hoogste onrechtvaardig en zondig.
وَٱلْمُؤْتَفِكَةَ أَهْوَىٰ ﴿٥٣﴾
En de straf des hemels bedekte haar.
فَغَشَّىٰهَا مَا غَشَّىٰ ﴿٥٤﴾
En de omvergeworpen steden, heeft hij ten onderst boven gekeerd.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكَ تَتَمَارَىٰ ﴿٥٥﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer, o mensch! zult gij in twijfel trekken?
هَـٰذَا نَذِيرٌۭ مِّنَ ٱلنُّذُرِ ٱلْأُولَىٰٓ ﴿٥٦﴾
Deze gezant is een prediker, evenals de predikers, die hem voorafgingen.
أَزِفَتِ ٱلْـَٔازِفَةُ ﴿٥٧﴾
De dag des oordeels komt nader;
لَيْسَ لَهَا مِن دُونِ ٱللَّهِ كَاشِفَةٌ ﴿٥٨﴾
Er is niemand, die daarvan den juisten tijd kan bepalen, behalve God.
أَفَمِنْ هَـٰذَا ٱلْحَدِيثِ تَعْجَبُونَ ﴿٥٩﴾
Verwondert gij u dus over deze nieuwe openbaring?
وَتَضْحَكُونَ وَلَا تَبْكُونَ ﴿٦٠﴾
En lacht gij, in plaats van te weenen?
وَأَنتُمْ سَـٰمِدُونَ ﴿٦١﴾
Terwijl gij uw tijd in ijdele uitspanningen doorbrengt.
فَٱسْجُدُوا۟ لِلَّهِ وَٱعْبُدُوا۟ ۩ ﴿٦٢﴾
Vereert veeleer God en dient hem.
ٱقْتَرَبَتِ ٱلسَّاعَةُ وَٱنشَقَّ ٱلْقَمَرُ ﴿١﴾
Het uur des oordeels nadert en de maan is gespleten.
وَإِن يَرَوْا۟ ءَايَةًۭ يُعْرِضُوا۟ وَيَقُولُوا۟ سِحْرٌۭ مُّسْتَمِرٌّۭ ﴿٢﴾
Maar als de ongeloovigen een teeken zien, wenden zij zich af, zeggende: dit is eene machtige betoovering.
وَكَذَّبُوا۟ وَٱتَّبَعُوٓا۟ أَهْوَآءَهُمْ ۚ وَكُلُّ أَمْرٍۢ مُّسْتَقِرٌّۭ ﴿٣﴾
En zij beschuldigen u, o Mahomet! van bedrog, en volgen hunne eigene lusten: maar ieder ding zal onveranderlijk bepaald wezen.
وَلَقَدْ جَآءَهُم مِّنَ ٱلْأَنۢبَآءِ مَا فِيهِ مُزْدَجَرٌ ﴿٤﴾
En nu is eene zending tot hen gekomen, waarin eene afschrikking voor hardnekkig ongeloof ligt opgesloten.
حِكْمَةٌۢ بَـٰلِغَةٌۭ ۖ فَمَا تُغْنِ ٱلنُّذُرُ ﴿٥﴾
Deze wijsheid is volkomen; maar waarschuwers helpen bij hen niet.
فَتَوَلَّ عَنْهُمْ ۘ يَوْمَ يَدْعُ ٱلدَّاعِ إِلَىٰ شَىْءٍۢ نُّكُرٍ ﴿٦﴾
Wend u dus van hen af! Den dag waarop de dagvaardende engel den mensch tot eene verschrikkelijke zaak zal oproepen.