Pagina 576 van de Mushaf bevat 30 verzen. Ze behoort tot Djoez 29, Hizb 58.
Bijgewerkt op 10 juli 2026 om 03h41
coran.read_full_page : Pagina 576 van de Koran lezen →
إِنَّهُۥ فَكَّرَ وَقَدَّرَ ﴿١٨﴾
Want hij heeft honende uitdrukkingen uitgedacht en gereed gemaakt, om den Koran belachelijk te maken.
فَقُتِلَ كَيْفَ قَدَّرَ ﴿١٩﴾
Gevloekt zij hij. Hoe kwaadwillig heeft hij die gereed gemaakt!
ثُمَّ قُتِلَ كَيْفَ قَدَّرَ ﴿٢٠﴾
En hij moge nog eens gevloekt zijn. Hoe kwaadwillig heeft hij die gereed gemaakt!
ثُمَّ نَظَرَ ﴿٢١﴾
Hij heeft zijne blikken om zich heen geworpen.
ثُمَّ عَبَسَ وَبَسَرَ ﴿٢٢﴾
Daarop heeft hij zijn voorhoofd gefronsd en een ernstig gelaat aangenomen.
ثُمَّ أَدْبَرَ وَٱسْتَكْبَرَ ﴿٢٣﴾
Vervolgens keerde hij zich van de waarheid en hij was opgeblazen van trotschheid.
فَقَالَ إِنْ هَـٰذَآ إِلَّا سِحْرٌۭ يُؤْثَرُ ﴿٢٤﴾
En hij zeide: Dit is slechts een goochelstuk, aan anderen ontleend.
إِنْ هَـٰذَآ إِلَّا قَوْلُ ٱلْبَشَرِ ﴿٢٥﴾
Dit zijn slechts de woorden van een mensch.
سَأُصْلِيهِ سَقَرَ ﴿٢٦﴾
Ik zal hem in de hel nederwerpen, om verbrand te worden.
وَمَآ أَدْرَىٰكَ مَا سَقَرُ ﴿٢٧﴾
En wat zal u doen verstaan, wat de hel is?
لَا تُبْقِى وَلَا تَذَرُ ﴿٢٨﴾
Zij laat geen ding onverteerd, noch laat eenige zaak ontsnappen.
لَوَّاحَةٌۭ لِّلْبَشَرِ ﴿٢٩﴾
Zij verbrandt des menschen vleesch.
عَلَيْهَا تِسْعَةَ عَشَرَ ﴿٣٠﴾
Negentien engelen zijn daarover geplaatst.
وَمَا جَعَلْنَآ أَصْحَـٰبَ ٱلنَّارِ إِلَّا مَلَـٰٓئِكَةًۭ ۙ وَمَا جَعَلْنَا عِدَّتَهُمْ إِلَّا فِتْنَةًۭ لِّلَّذِينَ كَفَرُوا۟ لِيَسْتَيْقِنَ ٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْكِتَـٰبَ وَيَزْدَادَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓا۟ إِيمَـٰنًۭا ۙ وَلَا يَرْتَابَ ٱلَّذِينَ أُوتُوا۟ ٱلْكِتَـٰبَ وَٱلْمُؤْمِنُونَ ۙ وَلِيَقُولَ ٱلَّذِينَ فِى قُلُوبِهِم مَّرَضٌۭ وَٱلْكَـٰفِرُونَ مَاذَآ أَرَادَ ٱللَّهُ بِهَـٰذَا مَثَلًۭا ۚ كَذَٰلِكَ يُضِلُّ ٱللَّهُ مَن يَشَآءُ وَيَهْدِى مَن يَشَآءُ ۚ وَمَا يَعْلَمُ جُنُودَ رَبِّكَ إِلَّا هُوَ ۚ وَمَا هِىَ إِلَّا ذِكْرَىٰ لِلْبَشَرِ ﴿٣١﴾
Wij hebben niemand buiten de engelen aangewezen, om het toezicht over het hellevuur te houden, en wij hebben hun getal slechts uitgedrukt als eene aanleiding tot tweedracht onder de ongeloovigen; opdat zij, aan wie de schriften werden gegeven, zeker mogen zijn van de waarachtigheid van dit boek, en dat de ware geloovigen in geloof mogen vermeerderen. En dat zij, aan wie de schriften werden gegeven en de ware geloovigen, daaraan niet twijfelen; En dat zij, in wier harten een gebrek schuilt, alsmede de ongeloovigen, mogen zeggen: Welke verborgenheid bedoelt God met dit getal? Zoo doet God dwalen naar zijn welbehagen, en hij richt naar zijn welbehagen. Niemand kent de legers van uwen Heer, buiten hem. Dit is slechts eene waarschuwing voor den mensch.
كَلَّا وَٱلْقَمَرِ ﴿٣٢﴾
Zekerlijk. Bij de maan.
وَٱلَّيْلِ إِذْ أَدْبَرَ ﴿٣٣﴾
En den nacht, als die zich verwijdert.
وَٱلصُّبْحِ إِذَآ أَسْفَرَ ﴿٣٤﴾
En den ochtend, als die zich roodkleurt.
إِنَّهَا لَإِحْدَى ٱلْكُبَرِ ﴿٣٥﴾
(Zweer ik) dat dit eene der vreeselijkste rampen is.
نَذِيرًۭا لِّلْبَشَرِ ﴿٣٦﴾
Strekkende tot waarschuwing voor den mensch;
لِمَن شَآءَ مِنكُمْ أَن يَتَقَدَّمَ أَوْ يَتَأَخَّرَ ﴿٣٧﴾
Zoowel voor diegenen uwer, welke vooruit loopen, als voor hen die achterblijven.
كُلُّ نَفْسٍۭ بِمَا كَسَبَتْ رَهِينَةٌ ﴿٣٨﴾
Iedere ziel wordt in pand gegeven, voor hetgeen zij zal hebben verricht;
إِلَّآ أَصْحَـٰبَ ٱلْيَمِينِ ﴿٣٩﴾
Behalve de makkers van de rechterhand.
فِى جَنَّـٰتٍۢ يَتَسَآءَلُونَ ﴿٤٠﴾
Die in tuinen zullen wonen, en vragen tot elkander zullen
عَنِ ٱلْمُجْرِمِينَ ﴿٤١﴾
Richten nopens de zondaars, (en de snoodaards zelven zullen ondervragen, zeggende:)
مَا سَلَكَكُمْ فِى سَقَرَ ﴿٤٢﴾
Wat heeft u in de hel gebracht?
قَالُوا۟ لَمْ نَكُ مِنَ ٱلْمُصَلِّينَ ﴿٤٣﴾
Zij zullen antwoorden: Wij behooren niet tot hen die standvastig in het gebed waren.
وَلَمْ نَكُ نُطْعِمُ ٱلْمِسْكِينَ ﴿٤٤﴾
Nimmer laafden wij de armen.
وَكُنَّا نَخُوضُ مَعَ ٱلْخَآئِضِينَ ﴿٤٥﴾
Wij baadden ons in lichtvaardige gesprekken met degenen, die zich daartoe leenden.
وَكُنَّا نُكَذِّبُ بِيَوْمِ ٱلدِّينِ ﴿٤٦﴾
Wij loochenden den dag des oordeels.
حَتَّىٰٓ أَتَىٰنَا ٱلْيَقِينُ ﴿٤٧﴾
Tot de dood ons overviel.