Pagina 580 van de Mushaf bevat 25 verzen. Ze behoort tot Djoez 29, Hizb 58.
Bijgewerkt op 10 juli 2026 om 03h41
coran.read_full_page : Pagina 580 van de Koran lezen →
وَمِنَ ٱلَّيْلِ فَٱسْجُدْ لَهُۥ وَسَبِّحْهُ لَيْلًۭا طَوِيلًا ﴿٢٦﴾
En aanbid hem gedurende (een deel van den nacht); en prijs hem gedurende een groot deel des nachts.
إِنَّ هَـٰٓؤُلَآءِ يُحِبُّونَ ٱلْعَاجِلَةَ وَيَذَرُونَ وَرَآءَهُمْ يَوْمًۭا ثَقِيلًۭا ﴿٢٧﴾
Waarlijk, deze menschen beminnen het voorbijgaande leven, en veronachtzamen den zwaren dag des oordeels.
نَّحْنُ خَلَقْنَـٰهُمْ وَشَدَدْنَآ أَسْرَهُمْ ۖ وَإِذَا شِئْنَا بَدَّلْنَآ أَمْثَـٰلَهُمْ تَبْدِيلًا ﴿٢٨﴾
Wij hebben hen geschapen en hunne ledematen gesterkt, en als het ons behaagt, stellen wij anderen aan hen gelijk, in hunne plaats.
إِنَّ هَـٰذِهِۦ تَذْكِرَةٌۭ ۖ فَمَن شَآءَ ٱتَّخَذَ إِلَىٰ رَبِّهِۦ سَبِيلًۭا ﴿٢٩﴾
Waarlijk, dit is eene waarschuwing; en hij die wil, kieze den weg tot zijn Heer.
وَمَا تَشَآءُونَ إِلَّآ أَن يَشَآءَ ٱللَّهُ ۚ إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ عَلِيمًا حَكِيمًۭا ﴿٣٠﴾
Maar gij zult niet willen tenzij God wil; want God is alwetend en wijs
يُدْخِلُ مَن يَشَآءُ فِى رَحْمَتِهِۦ ۚ وَٱلظَّـٰلِمِينَ أَعَدَّ لَهُمْ عَذَابًا أَلِيمًۢا ﴿٣١﴾
Hij leidt in zijne genade die hem behagen; maar voor den onrechtvaardige heeft hij eene gestrenge straf gereed gemaakt.
وَٱلْمُرْسَلَـٰتِ عُرْفًۭا ﴿١﴾
Ik zweer bij de engelen die door God gezonden zijn, en elkander in eene aanhoudende reeks opvolgen.
فَٱلْعَـٰصِفَـٰتِ عَصْفًۭا ﴿٢﴾
Bij hen die zich snel bewegen met eene snelle beweging;
وَٱلنَّـٰشِرَٰتِ نَشْرًۭا ﴿٣﴾
En bij hen die zijne bevelen verspreiden. Door die op aarde bekend te maken,
فَٱلْفَـٰرِقَـٰتِ فَرْقًۭا ﴿٤﴾
En bij hen die waarheid van leugen afscheiden, door die te erkennen.
فَٱلْمُلْقِيَـٰتِ ذِكْرًا ﴿٥﴾
En bij hen die de goddelijke vermaning mededeelen.
عُذْرًا أَوْ نُذْرًا ﴿٦﴾
Ter verontschuldiging of bedreiging.
إِنَّمَا تُوعَدُونَ لَوَٰقِعٌۭ ﴿٧﴾
Waarlijk, wat wij beloofd hebben, is onvermijdelijk.
فَإِذَا ٱلنُّجُومُ طُمِسَتْ ﴿٨﴾
Als de sterren zullen worden uitgedoofd.
وَإِذَا ٱلسَّمَآءُ فُرِجَتْ ﴿٩﴾
En de hemel gespleten,
وَإِذَا ٱلْجِبَالُ نُسِفَتْ ﴿١٠﴾
Als de bergen zullen uiteenstuiven.
وَإِذَا ٱلرُّسُلُ أُقِّتَتْ ﴿١١﴾
En als den gezanten een tijdstip zal zijn aangewezen, om te verschijnen en getuigenis tegen hun eigen volk af te leggen.
لِأَىِّ يَوْمٍ أُجِّلَتْ ﴿١٢﴾
Tot op welken dag zal men het einde uitstellen?
لِيَوْمِ ٱلْفَصْلِ ﴿١٣﴾
Tot den dag der scheiding.
وَمَآ أَدْرَىٰكَ مَا يَوْمُ ٱلْفَصْلِ ﴿١٤﴾
En wat zal u doen begrijpen, wat de dag der scheiding is?
وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ ﴿١٥﴾
Op dien dag, wee over hem, die de profeten van bedrog beschuldigde!
أَلَمْ نُهْلِكِ ٱلْأَوَّلِينَ ﴿١٦﴾
Hebben wij niet de vroegere, hardnekkige ongeloovigen verdelgd?
ثُمَّ نُتْبِعُهُمُ ٱلْـَٔاخِرِينَ ﴿١٧﴾
Wij zullen ook die van latere tijden hen doen volgen.
كَذَٰلِكَ نَفْعَلُ بِٱلْمُجْرِمِينَ ﴿١٨﴾
Zoo handelen wij met de snoodaards.
وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ ﴿١٩﴾
Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd!