Pagina 582 van de Mushaf bevat 30 verzen. Ze behoort tot Djoez 30, Hizb 59.
Bijgewerkt op 10 juli 2026 om 03h41
coran.read_full_page : Pagina 582 van de Koran lezen →
عَمَّ يَتَسَآءَلُونَ ﴿١﴾
Nopens wat ondervragen de ongeloovigen elkander?
عَنِ ٱلنَّبَإِ ٱلْعَظِيمِ ﴿٢﴾
Nopens het groote nieuws der opstanding.
ٱلَّذِى هُمْ فِيهِ مُخْتَلِفُونَ ﴿٣﴾
Omtrent welke zij niet overeenstemmen.
كَلَّا سَيَعْلَمُونَ ﴿٤﴾
Waarlijk, zij zullen hiernamaals de waarheid daarvan kennen.
ثُمَّ كَلَّا سَيَعْلَمُونَ ﴿٥﴾
Nogmaals, zij zullen hiernamaals de waarheid daarvan kennen.
أَلَمْ نَجْعَلِ ٱلْأَرْضَ مِهَـٰدًۭا ﴿٦﴾
Hebben wij de aarde niet als een bed gespreid.
وَٱلْجِبَالَ أَوْتَادًۭا ﴿٧﴾
En de bergen als staken om haar te bevestigen?
وَخَلَقْنَـٰكُمْ أَزْوَٰجًۭا ﴿٨﴾
Hebben wij u niet van twee seksen geschapen.
وَجَعَلْنَا نَوْمَكُمْ سُبَاتًۭا ﴿٩﴾
En bepaald dat gij slapen zoudt om te rusten?
وَجَعَلْنَا ٱلَّيْلَ لِبَاسًۭا ﴿١٠﴾
Hebben wij van den nacht, geen kleed gemaakt om u te bedekken.
وَجَعَلْنَا ٱلنَّهَارَ مَعَاشًۭا ﴿١١﴾
En hebben wij niet den dag bestemd, ten einde daarop uw levensonderhoud te winnen?
وَبَنَيْنَا فَوْقَكُمْ سَبْعًۭا شِدَادًۭا ﴿١٢﴾
Hebben wij niet zeven stevige hemelen boven u gebouwd.
وَجَعَلْنَا سِرَاجًۭا وَهَّاجًۭا ﴿١٣﴾
En daarin eene brandende lamp geplaatst?
وَأَنزَلْنَا مِنَ ٱلْمُعْصِرَٰتِ مَآءًۭ ثَجَّاجًۭا ﴿١٤﴾
En doen wij niet, uit de wolken, een overvloed van water stroomen.
لِّنُخْرِجَ بِهِۦ حَبًّۭا وَنَبَاتًۭا ﴿١٥﴾
Om daardoor graan en kruiden voort te brengen.
وَجَنَّـٰتٍ أَلْفَافًا ﴿١٦﴾
En tuinen, dicht beplant met boomen?
إِنَّ يَوْمَ ٱلْفَصْلِ كَانَ مِيقَـٰتًۭا ﴿١٧﴾
Waarlijk, de dag der scheiding is een onbepaald tijdstip;
يَوْمَ يُنفَخُ فِى ٱلصُّورِ فَتَأْتُونَ أَفْوَاجًۭا ﴿١٨﴾
De dag waarop de trompet zal klinken, en gij in scharen ten oordeel zult optrekken.
وَفُتِحَتِ ٱلسَّمَآءُ فَكَانَتْ أَبْوَٰبًۭا ﴿١٩﴾
De hemelen zullen geopend wezen, en zij zullen vol poorten zijn, om er de engelen te laten doorgaan.
وَسُيِّرَتِ ٱلْجِبَالُ فَكَانَتْ سَرَابًا ﴿٢٠﴾
De bergen zullen voorbijgaan, en als damp worden.
إِنَّ جَهَنَّمَ كَانَتْ مِرْصَادًۭا ﴿٢١﴾
Waarlijk, de hel zal eene plaats van verbranding zijn;
لِّلطَّـٰغِينَ مَـَٔابًۭا ﴿٢٢﴾
Eene bergplaats voor de zondaren
لَّـٰبِثِينَ فِيهَآ أَحْقَابًۭا ﴿٢٣﴾
Die daar gedurende eeuwen zullen wonen.
لَّا يَذُوقُونَ فِيهَا بَرْدًۭا وَلَا شَرَابًا ﴿٢٤﴾
Zij zullen daar geenerlei verversching proeven, noch eenigen drank.
إِلَّا حَمِيمًۭا وَغَسَّاقًۭا ﴿٢٥﴾
Behalve kokend water en bedorven vocht:
جَزَآءًۭ وِفَاقًا ﴿٢٦﴾
Eene geschikte vergelding voor hunne daden!
إِنَّهُمْ كَانُوا۟ لَا يَرْجُونَ حِسَابًۭا ﴿٢٧﴾
Want zij hoopten, dat zij geene rekenschap zouden moeten afleggen.
وَكَذَّبُوا۟ بِـَٔايَـٰتِنَا كِذَّابًۭا ﴿٢٨﴾
En zij geloofden niet in onze teekenen, welke zij van valschheid beschuldigden.
وَكُلَّ شَىْءٍ أَحْصَيْنَـٰهُ كِتَـٰبًۭا ﴿٢٩﴾
Maar elke zaak hebben wij opgeteld en nedergeschreven.
فَذُوقُوا۟ فَلَن نَّزِيدَكُمْ إِلَّا عَذَابًا ﴿٣٠﴾
Proef dus de vergelding: wij zullen u niets dan marteling toevoegen.