Pagina 592 van de Mushaf bevat 30 verzen. Ze behoort tot Djoez 30, Hizb 60.
Bijgewerkt op 10 juli 2026 om 03h41
coran.read_full_page : Pagina 592 van de Koran lezen →
بَلْ تُؤْثِرُونَ ٱلْحَيَوٰةَ ٱلدُّنْيَا ﴿١٦﴾
Maar gij verkiest het tegenwoordige leven,
وَٱلْـَٔاخِرَةُ خَيْرٌۭ وَأَبْقَىٰٓ ﴿١٧﴾
Hoewel het volgende leven beter en duurzamer is.
إِنَّ هَـٰذَا لَفِى ٱلصُّحُفِ ٱلْأُولَىٰ ﴿١٨﴾
Waarlijk, dit is in de oude boeken geschreven.
صُحُفِ إِبْرَٰهِيمَ وَمُوسَىٰ ﴿١٩﴾
In de boeken van Abraham en Mozes.
هَلْ أَتَىٰكَ حَدِيثُ ٱلْغَـٰشِيَةِ ﴿١﴾
Heeft het nieuws van den overvallenden dag des oordeels u bereikt.
وُجُوهٌۭ يَوْمَئِذٍ خَـٰشِعَةٌ ﴿٢﴾
Die sommigen de aangezichten zal doen buigen?
عَامِلَةٌۭ نَّاصِبَةٌۭ ﴿٣﴾
Werkende en afgemat van vermoeienis.
تَصْلَىٰ نَارًا حَامِيَةًۭ ﴿٤﴾
Zullen zij in het gloeiende vuur geworpen worden, om geroosterd te worden.
تُسْقَىٰ مِنْ عَيْنٍ ءَانِيَةٍۢ ﴿٥﴾
Men zal hun uit eene kokende fontein geven te drinken.
لَّيْسَ لَهُمْ طَعَامٌ إِلَّا مِن ضَرِيعٍۢ ﴿٦﴾
Zij zullen geen voedsel hebben, dan droge doornen en distels (al Dari).
لَّا يُسْمِنُ وَلَا يُغْنِى مِن جُوعٍۢ ﴿٧﴾
Dat voeden, noch den honger stillen zal.
وُجُوهٌۭ يَوْمَئِذٍۢ نَّاعِمَةٌۭ ﴿٨﴾
Maar de aangezichten van anderen zullen op dien dag vroolijk zijn.
لِّسَعْيِهَا رَاضِيَةٌۭ ﴿٩﴾
Voldaan over hetgeen zij vroeger zullen hebben verricht.
فِى جَنَّةٍ عَالِيَةٍۢ ﴿١٠﴾
Zij zullen in een sierlijken tuin worden geplaatst.
لَّا تَسْمَعُ فِيهَا لَـٰغِيَةًۭ ﴿١١﴾
Waar zij geene ijdele gesprekken zullen hooren.
فِيهَا عَيْنٌۭ جَارِيَةٌۭ ﴿١٢﴾
Daar zal eene springende fontein wezen;
فِيهَا سُرُرٌۭ مَّرْفُوعَةٌۭ ﴿١٣﴾
Daar zullen verheven zetels opgericht wezen.
وَأَكْوَابٌۭ مَّوْضُوعَةٌۭ ﴿١٤﴾
En bekers zullen voor hen geplaatst zijn,
وَنَمَارِقُ مَصْفُوفَةٌۭ ﴿١٥﴾
En kussens in orde gelegd,
وَزَرَابِىُّ مَبْثُوثَةٌ ﴿١٦﴾
En tapijten geheel uitgespreid.
أَفَلَا يَنظُرُونَ إِلَى ٱلْإِبِلِ كَيْفَ خُلِقَتْ ﴿١٧﴾
Overwegen zij niet hoe de kameelen geschapen zijn
وَإِلَى ٱلسَّمَآءِ كَيْفَ رُفِعَتْ ﴿١٨﴾
En hoe de hemel verheven is;
وَإِلَى ٱلْجِبَالِ كَيْفَ نُصِبَتْ ﴿١٩﴾
En hoe de bergen zijn bevestigd.
وَإِلَى ٱلْأَرْضِ كَيْفَ سُطِحَتْ ﴿٢٠﴾
En hoe de aarde is uitgespreid?
فَذَكِّرْ إِنَّمَآ أَنتَ مُذَكِّرٌۭ ﴿٢١﴾
Daarom, waarschuw uw volk, want gij zijt slechts een waarschuwer,
لَّسْتَ عَلَيْهِم بِمُصَيْطِرٍ ﴿٢٢﴾
Eene onbepaalde macht is u niet over hen opgedragen.
إِلَّا مَن تَوَلَّىٰ وَكَفَرَ ﴿٢٣﴾
Maar wie zich afwenden, en niet gelooven zal,
فَيُعَذِّبُهُ ٱللَّهُ ٱلْعَذَابَ ٱلْأَكْبَرَ ﴿٢٤﴾
Dien zal God met de groote straf van het volgende leven straffen.
إِنَّ إِلَيْنَآ إِيَابَهُمْ ﴿٢٥﴾
Waarlijk, tot ons zullen zij terugkeeren.
ثُمَّ إِنَّ عَلَيْنَا حِسَابَهُم ﴿٢٦﴾
En dan is het mijne taak, hun rekenschap af te vragen.