Pagina 594 van de Mushaf bevat 27 verzen. Ze behoort tot Djoez 30, Hizb 60.
Bijgewerkt op 10 juli 2026 om 03h41
coran.read_full_page : Pagina 594 van de Koran lezen →
يَقُولُ يَـٰلَيْتَنِى قَدَّمْتُ لِحَيَاتِى ﴿٢٤﴾
Hij zal zeggen: Gave God, dat ik vroeger gedurende mijn leeftijd goede daden had verricht!
فَيَوْمَئِذٍۢ لَّا يُعَذِّبُ عَذَابَهُۥٓ أَحَدٌۭ ﴿٢٥﴾
Op dien dag zal niemand zooals God kunnen straffen.
وَلَا يُوثِقُ وَثَاقَهُۥٓ أَحَدٌۭ ﴿٢٦﴾
Noch iemand in staat zijn te binden zoo als God.
يَـٰٓأَيَّتُهَا ٱلنَّفْسُ ٱلْمُطْمَئِنَّةُ ﴿٢٧﴾
O gij, ziel die rust!
ٱرْجِعِىٓ إِلَىٰ رَبِّكِ رَاضِيَةًۭ مَّرْضِيَّةًۭ ﴿٢٨﴾
Keer, voldaan met uwe belooning, en voldaan met God, tot uwen Heer terug.
فَٱدْخُلِى فِى عِبَـٰدِى ﴿٢٩﴾
Treed bij het aantal mijner dienaren binnen.
وَٱدْخُلِى جَنَّتِى ﴿٣٠﴾
En betreed mijn paradijs.
لَآ أُقْسِمُ بِهَـٰذَا ٱلْبَلَدِ ﴿١﴾
Ik zweer bij dit grondgebied,
وَأَنتَ حِلٌّۢ بِهَـٰذَا ٱلْبَلَدِ ﴿٢﴾
En gij, o profeet! houd verblijf in dit grondgebied;
وَوَالِدٍۢ وَمَا وَلَدَ ﴿٣﴾
En bij den vader, en bij het kind;
لَقَدْ خَلَقْنَا ٱلْإِنسَـٰنَ فِى كَبَدٍ ﴿٤﴾
Waarlijk, wij hebben den mensch in ellende geschapen.
أَيَحْسَبُ أَن لَّن يَقْدِرَ عَلَيْهِ أَحَدٌۭ ﴿٥﴾
Denkt hij, dat niemand sterker is dan hij.
يَقُولُ أَهْلَكْتُ مَالًۭا لُّبَدًا ﴿٦﴾
Hij zegt: ik heb groote rijkdommen verteerd!
أَيَحْسَبُ أَن لَّمْ يَرَهُۥٓ أَحَدٌ ﴿٧﴾
Denkt hij, dat hem niemand ziet.
أَلَمْ نَجْعَل لَّهُۥ عَيْنَيْنِ ﴿٨﴾
Hebben wij hem niet twee oogen gegeven.
وَلِسَانًۭا وَشَفَتَيْنِ ﴿٩﴾
En eene tong en twee lippen.
وَهَدَيْنَـٰهُ ٱلنَّجْدَيْنِ ﴿١٠﴾
En hebben wij hem niet de twee groote wegen, des goeds en des kwaads vertoond?
فَلَا ٱقْتَحَمَ ٱلْعَقَبَةَ ﴿١١﴾
En nog is hij de helling niet afgedaald.
وَمَآ أَدْرَىٰكَ مَا ٱلْعَقَبَةُ ﴿١٢﴾
Wat zal u doen begrijpen wat de helling is?
فَكُّ رَقَبَةٍ ﴿١٣﴾
Het is: den balling te bevrijden.
أَوْ إِطْعَـٰمٌۭ فِى يَوْمٍۢ ذِى مَسْغَبَةٍۢ ﴿١٤﴾
Of te voeden in de dagen van hongersnood.
يَتِيمًۭا ذَا مَقْرَبَةٍ ﴿١٥﴾
Den wees, die ons verwant is.
أَوْ مِسْكِينًۭا ذَا مَتْرَبَةٍۢ ﴿١٦﴾
Of den armen man, die op den grond ligt.
ثُمَّ كَانَ مِنَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَتَوَاصَوْا۟ بِٱلصَّبْرِ وَتَوَاصَوْا۟ بِٱلْمَرْحَمَةِ ﴿١٧﴾
Wie dit doet en tot hen behoort die gelooven, en ieder ander volharding en mededoogen aanbevelen,
أُو۟لَـٰٓئِكَ أَصْحَـٰبُ ٱلْمَيْمَنَةِ ﴿١٨﴾
Dezen zullen de makkers der rechterhand wezen.
وَٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ بِـَٔايَـٰتِنَا هُمْ أَصْحَـٰبُ ٱلْمَشْـَٔمَةِ ﴿١٩﴾
Maar zij, die omtrent onze teekenen ongeloovig zullen zijn, dezen zullen de makkers der linkerhand wezen.
عَلَيْهِمْ نَارٌۭ مُّؤْصَدَةٌۢ ﴿٢٠﴾
Boven hen zal zich het vuur uitstrekken.