Pagina 451 van de Mushaf bevat 27 verzen. Ze behoort tot Djoez 23, Hizb 45.
Bijgewerkt op 05 augustus 2026 om 16h34
Lees de volledige pagina : Pagina 451 van de Koran lezen →
فَكَذَّبُوهُ فَإِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ ﴿127﴾
Maar zij beschuldigden hem van bedrog.
إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ ﴿128﴾
Weshalve zij aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd, behalve de oprechte dienaren Gods
وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ ﴿129﴾
En wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor hem bewaren.
سَلَـٰمٌ عَلَىٰٓ إِلْ يَاسِينَ ﴿130﴾
Namelijk: Vrede zij op Ilyasin!
إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ ﴿131﴾
Zoo beloonen wij den rechtvaardige.
إِنَّهُۥ مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ ﴿132﴾
Want hij was een onzer geloovige dienaren.
وَإِنَّ لُوطًۭا لَّمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ ﴿133﴾
En Lot was mede een dergenen, die door ons werden gezonden.
إِذْ نَجَّيْنَـٰهُ وَأَهْلَهُۥٓ أَجْمَعِينَ ﴿134﴾
Toen wij hem en zijn geheel gezin bevrijden.
إِلَّا عَجُوزًۭا فِى ٱلْغَـٰبِرِينَ ﴿135﴾
Behalve eene oude vrouw, zijne huisvrouw, die omkwam met hen die achterbleven.
ثُمَّ دَمَّرْنَا ٱلْـَٔاخَرِينَ ﴿136﴾
Daarna verdelgden wij de anderen.
وَإِنَّكُمْ لَتَمُرُّونَ عَلَيْهِم مُّصْبِحِينَ ﴿137﴾
En gij, o bewoners van Mekka! komt de plaatsen voorbij waar zij eens hebben gewoond, als gij des ochtends reist.
وَبِٱلَّيْلِ ۗ أَفَلَا تَعْقِلُونَ ﴿138﴾
En des nachts. Zult gij dan niet begrijpen?
وَإِنَّ يُونُسَ لَمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ ﴿139﴾
Jonas was mede een dergenen die door ons werden gezonden.
إِذْ أَبَقَ إِلَى ٱلْفُلْكِ ٱلْمَشْحُونِ ﴿140﴾
Toen hij in een geladen schip vluchtte.
فَسَاهَمَ فَكَانَ مِنَ ٱلْمُدْحَضِينَ ﴿141﴾
En zij die aan boord waren, lootten onder elkander en hij werd veroordeeld.
فَٱلْتَقَمَهُ ٱلْحُوتُ وَهُوَ مُلِيمٌۭ ﴿142﴾
En de visch verzwolg hem; want hij had eene bestraffing verdiend.
فَلَوْلَآ أَنَّهُۥ كَانَ مِنَ ٱلْمُسَبِّحِينَ ﴿143﴾
En indien hij niet eene ware geweest van hen die God loven.
لَلَبِثَ فِى بَطْنِهِۦٓ إِلَىٰ يَوْمِ يُبْعَثُونَ ﴿144﴾
Waarlijk, dan ware hij, tot den dag der opstanding, in den buik van den visch gebleven.
۞ فَنَبَذْنَـٰهُ بِٱلْعَرَآءِ وَهُوَ سَقِيمٌۭ ﴿145﴾
En wij wierpen hem op het naakte strand, en hij was ziek.
وَأَنۢبَتْنَا عَلَيْهِ شَجَرَةًۭ مِّن يَقْطِينٍۢ ﴿146﴾
Wij deden een pompoenplant over hem heen groeien.
وَأَرْسَلْنَـٰهُ إِلَىٰ مِا۟ئَةِ أَلْفٍ أَوْ يَزِيدُونَ ﴿147﴾
Wij zonden hem daarna tot een volk van honderdduizend zielen of meer.
فَـَٔامَنُوا۟ فَمَتَّعْنَـٰهُمْ إِلَىٰ حِينٍۢ ﴿148﴾
En zij geloofden: daarom lieten wij hun dit leven nog voor eenigen tijd genieten.
فَٱسْتَفْتِهِمْ أَلِرَبِّكَ ٱلْبَنَاتُ وَلَهُمُ ٱلْبَنُونَ ﴿149﴾
Vraag aan de bewoners van Mekka of uw Heer dochters heeft gelijk zij zonen hebben?
أَمْ خَلَقْنَا ٱلْمَلَـٰٓئِكَةَ إِنَـٰثًۭا وَهُمْ شَـٰهِدُونَ ﴿150﴾
Hebben wij ook de engelen van het vrouwelijke geslacht geschapen, en waren zij er getuigen van?
أَلَآ إِنَّهُم مِّنْ إِفْكِهِمْ لَيَقُولُونَ ﴿151﴾
Zeggen zij niet, volgens hunne eigene, valsche uitvinding:
وَلَدَ ٱللَّهُ وَإِنَّهُمْ لَكَـٰذِبُونَ ﴿152﴾
God heeft eene nakomelingschap gebaard? en zij zijn niet werkelijk leugenaars?
أَصْطَفَى ٱلْبَنَاتِ عَلَى ٱلْبَنِينَ ﴿153﴾
Heeft hij bij voorkeur dochters boven zonen verkozen?