Pagina 452 van de Mushaf bevat 29 verzen. Ze behoort tot Djoez 23, Hizb 46.
Bijgewerkt op 05 augustus 2026 om 16h34
Lees de volledige pagina : Pagina 452 van de Koran lezen →
مَا لَكُمْ كَيْفَ تَحْكُمُونَ ﴿154﴾
Gij hebt geene reden aldus te oordeelen.
أَفَلَا تَذَكَّرُونَ ﴿155﴾
Wilt gij dus niet vermaand wezen?
أَمْ لَكُمْ سُلْطَـٰنٌۭ مُّبِينٌۭ ﴿156﴾
Of hebt gij een duidelijk bewijs voor hetgeen gij zegt?
فَأْتُوا۟ بِكِتَـٰبِكُمْ إِن كُنتُمْ صَـٰدِقِينَ ﴿157﴾
Brengt thans uw boek der openbaringen voor den dag, indien gij de waarheid spreekt.
وَجَعَلُوا۟ بَيْنَهُۥ وَبَيْنَ ٱلْجِنَّةِ نَسَبًۭا ۚ وَلَقَدْ عَلِمَتِ ٱلْجِنَّةُ إِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ ﴿158﴾
En zij maken hem tot een verwante der geniussen, terwijl de geniussen weten, dat hij, die zulke dingen verklaart, aan de eeuwige straf zal worden overgeleverd.
سُبْحَـٰنَ ٱللَّهِ عَمَّا يَصِفُونَ ﴿159﴾
(God is verheven, boven datgene wat zij nopens hem verklaren):
إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ ﴿160﴾
Maar niet Gods oprechte dienaren.
فَإِنَّكُمْ وَمَا تَعْبُدُونَ ﴿161﴾
Maar gij en de goden, welke gij aanbidt,
مَآ أَنتُمْ عَلَيْهِ بِفَـٰتِنِينَ ﴿162﴾
Zullen niemand nopens God verleiden.
إِلَّا مَنْ هُوَ صَالِ ٱلْجَحِيمِ ﴿163﴾
Behalve hem die bestemd is om in de hel verbrand te worden.
وَمَا مِنَّآ إِلَّا لَهُۥ مَقَامٌۭ مَّعْلُومٌۭ ﴿164﴾
Er is niemand van ons, of hij heeft een bestemde plaats.
وَإِنَّا لَنَحْنُ ٱلصَّآفُّونَ ﴿165﴾
Wij scharen ons in orde,
وَإِنَّا لَنَحْنُ ٱلْمُسَبِّحُونَ ﴿166﴾
Gods bevelen afwachtende, en wij verkondigen den goddelijken lof.
وَإِن كَانُوا۟ لَيَقُولُونَ ﴿167﴾
De ongeloovigen zeiden:
لَوْ أَنَّ عِندَنَا ذِكْرًۭا مِّنَ ٱلْأَوَّلِينَ ﴿168﴾
Indien wij door een boek met goddelijke openbaringen waren begunstigd geworden, van diegene welke aan de ouden werden geschonken.
لَكُنَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ ﴿169﴾
Zouden wij zeker oprechte dienaren Gods zijn geweest;
فَكَفَرُوا۟ بِهِۦ ۖ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ ﴿170﴾
Maar thans, nu de Koran is geopenbaard, gelooven zij daarin niet; doch hier namaals zullen zij het gevolg van hun ongeloof kennen.
وَلَقَدْ سَبَقَتْ كَلِمَتُنَا لِعِبَادِنَا ٱلْمُرْسَلِينَ ﴿171﴾
Ons woord werd vroeger aan onze dienaren, de gezanten, gegeven.
إِنَّهُمْ لَهُمُ ٱلْمَنصُورُونَ ﴿172﴾
Dat zij zekerlijk tegen de ongeloovigen zouden ondersteund worden,
وَإِنَّ جُندَنَا لَهُمُ ٱلْغَـٰلِبُونَ ﴿173﴾
En dat onze legers de overwinning zouden behalen.
فَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍۢ ﴿174﴾
Wend u dus gedurende eenen tijd van hen af.
وَأَبْصِرْهُمْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ ﴿175﴾
En zie de rampen die hen zullen bedroeven; want zij zullen uwe toekomstige overwinning en uwen voorspoed zien.
أَفَبِعَذَابِنَا يَسْتَعْجِلُونَ ﴿176﴾
Trachten zij daarom onze wraak te verhaasten?
فَإِذَا نَزَلَ بِسَاحَتِهِمْ فَسَآءَ صَبَاحُ ٱلْمُنذَرِينَ ﴿177﴾
Waarlijk, wanneer die in hunne afgesloten hoven zal nederdalen, zal het een slechte ochtend zijn voor hen, die te vergeefs werden gewaarschuwd.
وَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍۢ ﴿178﴾
Wend u dus voor eenigen tijd van hen af.
وَأَبْصِرْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ ﴿179﴾
Hierna zullen zij uwe overwinning en hunne straf ontwaren.
سُبْحَـٰنَ رَبِّكَ رَبِّ ٱلْعِزَّةِ عَمَّا يَصِفُونَ ﴿180﴾
Geloofd zij uw Heer, de Heer die verre verheven is boven hetgeen zij van hem verklaren!
وَسَلَـٰمٌ عَلَى ٱلْمُرْسَلِينَ ﴿181﴾
Vrede zij op zijne gezanten.
وَٱلْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ ﴿182﴾
En geloofd zij God, de Heer van alle schepselen!