Islam > Hadiths > Jurisprudentie van aanbiddingen > “Waarlijk, het past niemand om met vuur te straffen, behalve de Heer van het vuur.”
AuthentiekBijgewerkt op 26 oktober 2026 om 23h26
📖 1 min leestijdAbdellah ibn Mas'oed — moge Allah tevreden over hem zijn — verhaalde dat zij zich eens met de Profeet (vrede zij met hem) op reis bevonden. De Profeet verwijderde zich tijdelijk om aan zijn behoefte te voldoen. Ondertussen zagen zijn metgezellen een roodkleurige vogel, een ḥumra, die twee kuikens bij zich had en zij namen de jongen van haar weg. De moeder begon haar vleugels uit te spreiden en hevig te fladderen, bevangen door angst en onrust om het verlies van haar kleintjes. Toen de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) terugkeerde en dit aanschouwde, sprak hij: “Wie heeft deze vogel bedroefd en haar angst aangejaagd door haar jongen van haar weg te nemen?!” Vervolgens beval Hij (hem) haar terug te geven. Daarna zag hij een mierenhoop die in brand was gestoken. Hij vroeg: “Wie heeft dit vuur aangestoken en deze mieren verbrand?” Sommigen van zijn metgezellen antwoordden: “Dat waren wij.” Waarop hij hen toesprak: “Niemand heeft het recht om een levend wezen met vuur te straffen, behalve Allah, de Schepper van het vuur.”
Categorieën : Jurisprudentie van aanbiddingen · Al-Jihad · Oproep tot Allah · Dierenrechten in de islam · De jurisprudentie en zijn grondbeginsels · De etiquette van jihad · De da'wa (uitnodiging tot islam) en de verantwoording