Ruku 320 van de Koran lezen

Ruku 320 komt uit soera Ash-Shuara (verzen 70 tot 104). Hij bevat 35 verzen en behoort tot Djoez 19.

Bijgewerkt op 05 augustus 2026 om 16h34

Ruku 320 in de Koran

35
verzen
1
Soera
19
Djoez
v.70 – v.104
Verzen
الشعراء · Djoez 19
Pagina 370
Ruku 320
سورة الشعراء
Djoez 19 37.2% (126/339)
Hizb 37 75.4% (126/167)

إِذْ قَالَ لِأَبِيهِ وَقَوْمِهِۦ مَا تَعْبُدُونَ ﴿٧٠﴾

Toen hij tot zijnen vader en zijn volk zeide: Wat aanbidt gij?

قَالُوا۟ نَعْبُدُ أَصْنَامًۭا فَنَظَلُّ لَهَا عَـٰكِفِينَ ﴿٧١﴾

Zij antwoordden: Wij aanbidden afgoden, en wij dienen deze alle dagen met standvastigheid.

قَالَ هَلْ يَسْمَعُونَكُمْ إِذْ تَدْعُونَ ﴿٧٢﴾

Abraham zeide: Hooren zij u als gij hen aanroept?

أَوْ يَنفَعُونَكُمْ أَوْ يَضُرُّونَ ﴿٧٣﴾

Of bevoordeelen, noch deren zij u?

قَالُوا۟ بَلْ وَجَدْنَآ ءَابَآءَنَا كَذَٰلِكَ يَفْعَلُونَ ﴿٧٤﴾

Zij antwoordden: Neen; maar wij zagen dat onze vaderen hetzelfde deden.

قَالَ أَفَرَءَيْتُم مَّا كُنتُمْ تَعْبُدُونَ ﴿٧٥﴾

Hij zeide: Wat denkt gij: De goden die gij aanbidt.

أَنتُمْ وَءَابَآؤُكُمُ ٱلْأَقْدَمُونَ ﴿٧٦﴾

En welke door uwe voorvaderen werden aangebeden.

فَإِنَّهُمْ عَدُوٌّۭ لِّىٓ إِلَّا رَبَّ ٱلْعَـٰلَمِينَ ﴿٧٧﴾

Zijn mijne vijanden, behalve slechts de Heer van alle schepselen.

ٱلَّذِى خَلَقَنِى فَهُوَ يَهْدِينِ ﴿٧٨﴾

Die mij heeft geschapen en mij op den rechten weg leidt.

وَٱلَّذِى هُوَ يُطْعِمُنِى وَيَسْقِينِ ﴿٧٩﴾

En die mij geeft te eten en te drinken;

وَإِذَا مَرِضْتُ فَهُوَ يَشْفِينِ ﴿٨٠﴾

En die mij geneest als ik ziek ben;

وَٱلَّذِى يُمِيتُنِى ثُمَّ يُحْيِينِ ﴿٨١﴾

En die mij zal doen sterven en mij daarna tot het leven zal terugbrengen.

وَٱلَّذِىٓ أَطْمَعُ أَن يَغْفِرَ لِى خَطِيٓـَٔتِى يَوْمَ ٱلدِّينِ ﴿٨٢﴾

En die, naar ik hoop, mij mijne zonden op den dag des oordeels zal vergeven.

رَبِّ هَبْ لِى حُكْمًۭا وَأَلْحِقْنِى بِٱلصَّـٰلِحِينَ ﴿٨٣﴾

O Heer! verleen mij wijsheid en vereenig mij met de rechtvaardigen.

وَٱجْعَل لِّى لِسَانَ صِدْقٍۢ فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ ﴿٨٤﴾

En geef, dat nog de laatste nakomelingschap met eer van mij spreke;

وَٱجْعَلْنِى مِن وَرَثَةِ جَنَّةِ ٱلنَّعِيمِ ﴿٨٥﴾

En maak mij tot een erfgenaam van den tuin der heerlijkheid;

وَٱغْفِرْ لِأَبِىٓ إِنَّهُۥ كَانَ مِنَ ٱلضَّآلِّينَ ﴿٨٦﴾

En vergeef mijn vader die tot de afdwalenden heeft behoord.

وَلَا تُخْزِنِى يَوْمَ يُبْعَثُونَ ﴿٨٧﴾

En bedek mij niet met schande op den dag der opstanding;

يَوْمَ لَا يَنفَعُ مَالٌۭ وَلَا بَنُونَ ﴿٨٨﴾

Op den dag, waarop noch rijkdommen, noch kinderen van eenig voordeel zullen kunnen zijn.

إِلَّا مَنْ أَتَى ٱللَّهَ بِقَلْبٍۢ سَلِيمٍۢ ﴿٨٩﴾

Behalve voor hem, die met een oprecht hart tot God zal komen;

وَأُزْلِفَتِ ٱلْجَنَّةُ لِلْمُتَّقِينَ ﴿٩٠﴾

Als het paradijs voor het gezicht der vromen gebracht zal worden.

وَبُرِّزَتِ ٱلْجَحِيمُ لِلْغَاوِينَ ﴿٩١﴾

En de hel geheel zal verschijnen voor hen die gedwaald zullen hebben;

وَقِيلَ لَهُمْ أَيْنَ مَا كُنتُمْ تَعْبُدُونَ ﴿٩٢﴾

En tot hen zal gezegd worden: Waar zijn uwe godheden,

مِن دُونِ ٱللَّهِ هَلْ يَنصُرُونَكُمْ أَوْ يَنتَصِرُونَ ﴿٩٣﴾

Welke gij naast God dient? Zullen zij u van straf bevrijden, of zullen zij zich zelven bevrijden?

فَكُبْكِبُوا۟ فِيهَا هُمْ وَٱلْغَاوُۥنَ ﴿٩٤﴾

En zij zullen in de hel geworpen worden; zoowel zij, als diegenen, welke tot hunne aanbidding werden verleid,

وَجُنُودُ إِبْلِيسَ أَجْمَعُونَ ﴿٩٥﴾

En het geheele heir van Eblis.

قَالُوا۟ وَهُمْ فِيهَا يَخْتَصِمُونَ ﴿٩٦﴾

De verleiden zullen daar met hunne valsche goden twisten, zeggende:

تَٱللَّهِ إِن كُنَّا لَفِى ضَلَـٰلٍۢ مُّبِينٍ ﴿٩٧﴾

Bij God, wij verkeerden in eene duidelijke dwaling.

إِذْ نُسَوِّيكُم بِرَبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ ﴿٩٨﴾

Toen wij u met den Heer van alle schepselen gelijk stelden.

وَمَآ أَضَلَّنَآ إِلَّا ٱلْمُجْرِمُونَ ﴿٩٩﴾

De zondaren alleen hebben ons verleid.

فَمَا لَنَا مِن شَـٰفِعِينَ ﴿١٠٠﴾

Thans hebben wij geene tusschentreders.

وَلَا صَدِيقٍ حَمِيمٍۢ ﴿١٠١﴾

Noch eenigen vriend die voor ons zorgt. i

فَلَوْ أَنَّ لَنَا كَرَّةًۭ فَنَكُونَ مِنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ ﴿١٠٢﴾

Indien het ons veroorloofd ware, nog slechts eenmaal in de wereld terug te keeren, zouden wij zekerlijk ware geloovigen worden.

إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَـَٔايَةًۭ ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ ﴿١٠٣﴾

Waarlijk, hierin was een teeken; maar het grootste gedeelte hunner gelooven niet.

وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلرَّحِيمُ ﴿١٠٤﴾

Uw Heer is de machtige, de barmhartige.

بسم الله الرحمن الرحيم ma 10 Rabi' al-awwal
الاثنين 10 ربيع الأول
أحدب متزايد Wassende Bol Dag 11 / 29.5
Verlichting 85%
Volle maan over 4 dagen
سبحان الله وبحمده Glorie en lof zij Allah