Ruku 389 komt uit soera As-Saffat (verzen 114 tot 138). Hij bevat 25 verzen en behoort tot Djoez 23.
Bijgewerkt op 05 augustus 2026 om 16h34
Lees de volledige pagina : Ruku 389 van de Koran lezen →
وَلَقَدْ مَنَنَّا عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَـٰرُونَ ﴿114﴾
Wij waren ook vroeger genadig omtrent Mozes en Aäron.
وَنَجَّيْنَـٰهُمَا وَقَوْمَهُمَا مِنَ ٱلْكَرْبِ ٱلْعَظِيمِ ﴿115﴾
En wij bevrijdden hen en hun volk van eene groote ellende.
وَنَصَرْنَـٰهُمْ فَكَانُوا۟ هُمُ ٱلْغَـٰلِبِينَ ﴿116﴾
Wij ondersteunden hen tegen de Egyptenaren, en zij werden overwinnaars.
وَءَاتَيْنَـٰهُمَا ٱلْكِتَـٰبَ ٱلْمُسْتَبِينَ ﴿117﴾
Wij gaven hun het duidelijke boek der wet.
وَهَدَيْنَـٰهُمَا ٱلصِّرَٰطَ ٱلْمُسْتَقِيمَ ﴿118﴾
Wij leidden hen op den rechten weg.
وَتَرَكْنَا عَلَيْهِمَا فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ ﴿119﴾
En wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor hen bewaren;
سَلَـٰمٌ عَلَىٰ مُوسَىٰ وَهَـٰرُونَ ﴿120﴾
Namelijk: Vrede zij op Mozes en Aäron!
إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ ﴿121﴾
Zoo beloonen wij de rechtvaardigen.
إِنَّهُمَا مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ ﴿122﴾
Want zij waren twee onzer geloovige dienaren.
وَإِنَّ إِلْيَاسَ لَمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ ﴿123﴾
En Elias was mede een dergenen, die door ons werden gezonden.
إِذْ قَالَ لِقَوْمِهِۦٓ أَلَا تَتَّقُونَ ﴿124﴾
Toen hij tot zijn volk zeide: Vreest gij God niet?
أَتَدْعُونَ بَعْلًۭا وَتَذَرُونَ أَحْسَنَ ٱلْخَـٰلِقِينَ ﴿125﴾
Roept gij Baal aan, en verzaakt gij den uitmuntendsten schepper?
ٱللَّهَ رَبَّكُمْ وَرَبَّ ءَابَآئِكُمُ ٱلْأَوَّلِينَ ﴿126﴾
God is uw Heer en de Heer uwer voorvaderen.
فَكَذَّبُوهُ فَإِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ ﴿127﴾
Maar zij beschuldigden hem van bedrog.
إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ ﴿128﴾
Weshalve zij aan de eeuwige straf zullen worden overgeleverd, behalve de oprechte dienaren Gods
وَتَرَكْنَا عَلَيْهِ فِى ٱلْـَٔاخِرِينَ ﴿129﴾
En wij lieten de volgende groete door de verste nakomelingschap voor hem bewaren.
سَلَـٰمٌ عَلَىٰٓ إِلْ يَاسِينَ ﴿130﴾
Namelijk: Vrede zij op Ilyasin!
إِنَّا كَذَٰلِكَ نَجْزِى ٱلْمُحْسِنِينَ ﴿131﴾
Zoo beloonen wij den rechtvaardige.
إِنَّهُۥ مِنْ عِبَادِنَا ٱلْمُؤْمِنِينَ ﴿132﴾
Want hij was een onzer geloovige dienaren.
وَإِنَّ لُوطًۭا لَّمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ ﴿133﴾
En Lot was mede een dergenen, die door ons werden gezonden.
إِذْ نَجَّيْنَـٰهُ وَأَهْلَهُۥٓ أَجْمَعِينَ ﴿134﴾
Toen wij hem en zijn geheel gezin bevrijden.
إِلَّا عَجُوزًۭا فِى ٱلْغَـٰبِرِينَ ﴿135﴾
Behalve eene oude vrouw, zijne huisvrouw, die omkwam met hen die achterbleven.
ثُمَّ دَمَّرْنَا ٱلْـَٔاخَرِينَ ﴿136﴾
Daarna verdelgden wij de anderen.
وَإِنَّكُمْ لَتَمُرُّونَ عَلَيْهِم مُّصْبِحِينَ ﴿137﴾
En gij, o bewoners van Mekka! komt de plaatsen voorbij waar zij eens hebben gewoond, als gij des ochtends reist.
وَبِٱلَّيْلِ ۗ أَفَلَا تَعْقِلُونَ ﴿138﴾
En des nachts. Zult gij dan niet begrijpen?