Ruku 390 van de Koran lezen

Ruku 390 komt uit soera As-Saffat (verzen 139 tot 182). Hij bevat 44 verzen en behoort tot Djoez 23.

Bijgewerkt op 05 augustus 2026 om 16h34

Ruku 390 in de Koran

44
verzen
1
Soera
23
Djoez
v.139 – v.182
Verzen
الصافات · Djoez 23
Navigatie
Favorieten
Audio
Memorisatie
Weergave
Pagina 451
◄ Ruku 390 ►
سورة الصافات
Djoez 23 54.3% (194/357)
Hizb 45 97.0% (194/200)

وَإِنَّ يُونُسَ لَمِنَ ٱلْمُرْسَلِينَ ﴿139﴾

Jonas was mede een dergenen die door ons werden gezonden.

إِذْ أَبَقَ إِلَى ٱلْفُلْكِ ٱلْمَشْحُونِ ﴿140﴾

Toen hij in een geladen schip vluchtte.

فَسَاهَمَ فَكَانَ مِنَ ٱلْمُدْحَضِينَ ﴿141﴾

En zij die aan boord waren, lootten onder elkander en hij werd veroordeeld.

فَٱلْتَقَمَهُ ٱلْحُوتُ وَهُوَ مُلِيمٌۭ ﴿142﴾

En de visch verzwolg hem; want hij had eene bestraffing verdiend.

فَلَوْلَآ أَنَّهُۥ كَانَ مِنَ ٱلْمُسَبِّحِينَ ﴿143﴾

En indien hij niet eene ware geweest van hen die God loven.

لَلَبِثَ فِى بَطْنِهِۦٓ إِلَىٰ يَوْمِ يُبْعَثُونَ ﴿144﴾

Waarlijk, dan ware hij, tot den dag der opstanding, in den buik van den visch gebleven.

۞ فَنَبَذْنَـٰهُ بِٱلْعَرَآءِ وَهُوَ سَقِيمٌۭ ﴿145﴾

En wij wierpen hem op het naakte strand, en hij was ziek.

وَأَنۢبَتْنَا عَلَيْهِ شَجَرَةًۭ مِّن يَقْطِينٍۢ ﴿146﴾

Wij deden een pompoenplant over hem heen groeien.

وَأَرْسَلْنَـٰهُ إِلَىٰ مِا۟ئَةِ أَلْفٍ أَوْ يَزِيدُونَ ﴿147﴾

Wij zonden hem daarna tot een volk van honderdduizend zielen of meer.

فَـَٔامَنُوا۟ فَمَتَّعْنَـٰهُمْ إِلَىٰ حِينٍۢ ﴿148﴾

En zij geloofden: daarom lieten wij hun dit leven nog voor eenigen tijd genieten.

فَٱسْتَفْتِهِمْ أَلِرَبِّكَ ٱلْبَنَاتُ وَلَهُمُ ٱلْبَنُونَ ﴿149﴾

Vraag aan de bewoners van Mekka of uw Heer dochters heeft gelijk zij zonen hebben?

أَمْ خَلَقْنَا ٱلْمَلَـٰٓئِكَةَ إِنَـٰثًۭا وَهُمْ شَـٰهِدُونَ ﴿150﴾

Hebben wij ook de engelen van het vrouwelijke geslacht geschapen, en waren zij er getuigen van?

أَلَآ إِنَّهُم مِّنْ إِفْكِهِمْ لَيَقُولُونَ ﴿151﴾

Zeggen zij niet, volgens hunne eigene, valsche uitvinding:

وَلَدَ ٱللَّهُ وَإِنَّهُمْ لَكَـٰذِبُونَ ﴿152﴾

God heeft eene nakomelingschap gebaard? en zij zijn niet werkelijk leugenaars?

أَصْطَفَى ٱلْبَنَاتِ عَلَى ٱلْبَنِينَ ﴿153﴾

Heeft hij bij voorkeur dochters boven zonen verkozen?

مَا لَكُمْ كَيْفَ تَحْكُمُونَ ﴿154﴾

Gij hebt geene reden aldus te oordeelen.

أَفَلَا تَذَكَّرُونَ ﴿155﴾

Wilt gij dus niet vermaand wezen?

أَمْ لَكُمْ سُلْطَـٰنٌۭ مُّبِينٌۭ ﴿156﴾

Of hebt gij een duidelijk bewijs voor hetgeen gij zegt?

فَأْتُوا۟ بِكِتَـٰبِكُمْ إِن كُنتُمْ صَـٰدِقِينَ ﴿157﴾

Brengt thans uw boek der openbaringen voor den dag, indien gij de waarheid spreekt.

وَجَعَلُوا۟ بَيْنَهُۥ وَبَيْنَ ٱلْجِنَّةِ نَسَبًۭا ۚ وَلَقَدْ عَلِمَتِ ٱلْجِنَّةُ إِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ ﴿158﴾

En zij maken hem tot een verwante der geniussen, terwijl de geniussen weten, dat hij, die zulke dingen verklaart, aan de eeuwige straf zal worden overgeleverd.

سُبْحَـٰنَ ٱللَّهِ عَمَّا يَصِفُونَ ﴿159﴾

(God is verheven, boven datgene wat zij nopens hem verklaren):

إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ ﴿160﴾

Maar niet Gods oprechte dienaren.

فَإِنَّكُمْ وَمَا تَعْبُدُونَ ﴿161﴾

Maar gij en de goden, welke gij aanbidt,

مَآ أَنتُمْ عَلَيْهِ بِفَـٰتِنِينَ ﴿162﴾

Zullen niemand nopens God verleiden.

إِلَّا مَنْ هُوَ صَالِ ٱلْجَحِيمِ ﴿163﴾

Behalve hem die bestemd is om in de hel verbrand te worden.

وَمَا مِنَّآ إِلَّا لَهُۥ مَقَامٌۭ مَّعْلُومٌۭ ﴿164﴾

Er is niemand van ons, of hij heeft een bestemde plaats.

وَإِنَّا لَنَحْنُ ٱلصَّآفُّونَ ﴿165﴾

Wij scharen ons in orde,

وَإِنَّا لَنَحْنُ ٱلْمُسَبِّحُونَ ﴿166﴾

Gods bevelen afwachtende, en wij verkondigen den goddelijken lof.

وَإِن كَانُوا۟ لَيَقُولُونَ ﴿167﴾

De ongeloovigen zeiden:

لَوْ أَنَّ عِندَنَا ذِكْرًۭا مِّنَ ٱلْأَوَّلِينَ ﴿168﴾

Indien wij door een boek met goddelijke openbaringen waren begunstigd geworden, van diegene welke aan de ouden werden geschonken.

لَكُنَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ ﴿169﴾

Zouden wij zeker oprechte dienaren Gods zijn geweest;

فَكَفَرُوا۟ بِهِۦ ۖ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ ﴿170﴾

Maar thans, nu de Koran is geopenbaard, gelooven zij daarin niet; doch hier namaals zullen zij het gevolg van hun ongeloof kennen.

وَلَقَدْ سَبَقَتْ كَلِمَتُنَا لِعِبَادِنَا ٱلْمُرْسَلِينَ ﴿171﴾

Ons woord werd vroeger aan onze dienaren, de gezanten, gegeven.

إِنَّهُمْ لَهُمُ ٱلْمَنصُورُونَ ﴿172﴾

Dat zij zekerlijk tegen de ongeloovigen zouden ondersteund worden,

وَإِنَّ جُندَنَا لَهُمُ ٱلْغَـٰلِبُونَ ﴿173﴾

En dat onze legers de overwinning zouden behalen.

فَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍۢ ﴿174﴾

Wend u dus gedurende eenen tijd van hen af.

وَأَبْصِرْهُمْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ ﴿175﴾

En zie de rampen die hen zullen bedroeven; want zij zullen uwe toekomstige overwinning en uwen voorspoed zien.

أَفَبِعَذَابِنَا يَسْتَعْجِلُونَ ﴿176﴾

Trachten zij daarom onze wraak te verhaasten?

فَإِذَا نَزَلَ بِسَاحَتِهِمْ فَسَآءَ صَبَاحُ ٱلْمُنذَرِينَ ﴿177﴾

Waarlijk, wanneer die in hunne afgesloten hoven zal nederdalen, zal het een slechte ochtend zijn voor hen, die te vergeefs werden gewaarschuwd.

وَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍۢ ﴿178﴾

Wend u dus voor eenigen tijd van hen af.

وَأَبْصِرْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ ﴿179﴾

Hierna zullen zij uwe overwinning en hunne straf ontwaren.

سُبْحَـٰنَ رَبِّكَ رَبِّ ٱلْعِزَّةِ عَمَّا يَصِفُونَ ﴿180﴾

Geloofd zij uw Heer, de Heer die verre verheven is boven hetgeen zij van hem verklaren!

وَسَلَـٰمٌ عَلَى ٱلْمُرْسَلِينَ ﴿181﴾

Vrede zij op zijne gezanten.

وَٱلْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ ﴿182﴾

En geloofd zij God, de Heer van alle schepselen!

بسم الله الرحمن الرحيم vr 26 Rabi' al-thani
الجمعة 26 ربيع الآخر
هلال متناقص Afnemende Maan Dag 27.1 / 29.5
Verlichting 6%
Nieuwe maan over 2 dagen
أستغفر الله Ik vraag Allah om vergeving

إِنَّ ٱللَّهَ وَمَلَٰٓئِكَتَهُۥ يُصَلُّونَ عَلَى ٱلنَّبِىِّ ۚ يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ صَلُّوا۟ عَلَيْهِ وَسَلِّمُوا۟ تَسْلِيمًا

Waarlijk, God en zijne engelen zegenen den profeet. O ware geloovigen! zegent hem mede en groet hem met eene eerbiedvolle groete.

Al-Ahzab 33:56

Gebed voor de Profeet