Ruku 390 komt uit soera As-Saffat (verzen 139 tot 182). Hij bevat 44 verzen en behoort tot Djoez 23.
Bijgewerkt op 10 juli 2026 om 03h41
coran.read_full_page : Ruku 390 van de Koran lezen →
مَا لَكُمْ كَيْفَ تَحْكُمُونَ ﴿١٥٤﴾
Gij hebt geene reden aldus te oordeelen.
أَفَلَا تَذَكَّرُونَ ﴿١٥٥﴾
Wilt gij dus niet vermaand wezen?
أَمْ لَكُمْ سُلْطَـٰنٌۭ مُّبِينٌۭ ﴿١٥٦﴾
Of hebt gij een duidelijk bewijs voor hetgeen gij zegt?
فَأْتُوا۟ بِكِتَـٰبِكُمْ إِن كُنتُمْ صَـٰدِقِينَ ﴿١٥٧﴾
Brengt thans uw boek der openbaringen voor den dag, indien gij de waarheid spreekt.
وَجَعَلُوا۟ بَيْنَهُۥ وَبَيْنَ ٱلْجِنَّةِ نَسَبًۭا ۚ وَلَقَدْ عَلِمَتِ ٱلْجِنَّةُ إِنَّهُمْ لَمُحْضَرُونَ ﴿١٥٨﴾
En zij maken hem tot een verwante der geniussen, terwijl de geniussen weten, dat hij, die zulke dingen verklaart, aan de eeuwige straf zal worden overgeleverd.
سُبْحَـٰنَ ٱللَّهِ عَمَّا يَصِفُونَ ﴿١٥٩﴾
(God is verheven, boven datgene wat zij nopens hem verklaren):
إِلَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ ﴿١٦٠﴾
Maar niet Gods oprechte dienaren.
فَإِنَّكُمْ وَمَا تَعْبُدُونَ ﴿١٦١﴾
Maar gij en de goden, welke gij aanbidt,
مَآ أَنتُمْ عَلَيْهِ بِفَـٰتِنِينَ ﴿١٦٢﴾
Zullen niemand nopens God verleiden.
إِلَّا مَنْ هُوَ صَالِ ٱلْجَحِيمِ ﴿١٦٣﴾
Behalve hem die bestemd is om in de hel verbrand te worden.
وَمَا مِنَّآ إِلَّا لَهُۥ مَقَامٌۭ مَّعْلُومٌۭ ﴿١٦٤﴾
Er is niemand van ons, of hij heeft een bestemde plaats.
وَإِنَّا لَنَحْنُ ٱلصَّآفُّونَ ﴿١٦٥﴾
Wij scharen ons in orde,
وَإِنَّا لَنَحْنُ ٱلْمُسَبِّحُونَ ﴿١٦٦﴾
Gods bevelen afwachtende, en wij verkondigen den goddelijken lof.
وَإِن كَانُوا۟ لَيَقُولُونَ ﴿١٦٧﴾
De ongeloovigen zeiden:
لَوْ أَنَّ عِندَنَا ذِكْرًۭا مِّنَ ٱلْأَوَّلِينَ ﴿١٦٨﴾
Indien wij door een boek met goddelijke openbaringen waren begunstigd geworden, van diegene welke aan de ouden werden geschonken.
لَكُنَّا عِبَادَ ٱللَّهِ ٱلْمُخْلَصِينَ ﴿١٦٩﴾
Zouden wij zeker oprechte dienaren Gods zijn geweest;
فَكَفَرُوا۟ بِهِۦ ۖ فَسَوْفَ يَعْلَمُونَ ﴿١٧٠﴾
Maar thans, nu de Koran is geopenbaard, gelooven zij daarin niet; doch hier namaals zullen zij het gevolg van hun ongeloof kennen.
وَلَقَدْ سَبَقَتْ كَلِمَتُنَا لِعِبَادِنَا ٱلْمُرْسَلِينَ ﴿١٧١﴾
Ons woord werd vroeger aan onze dienaren, de gezanten, gegeven.
إِنَّهُمْ لَهُمُ ٱلْمَنصُورُونَ ﴿١٧٢﴾
Dat zij zekerlijk tegen de ongeloovigen zouden ondersteund worden,
وَإِنَّ جُندَنَا لَهُمُ ٱلْغَـٰلِبُونَ ﴿١٧٣﴾
En dat onze legers de overwinning zouden behalen.
فَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍۢ ﴿١٧٤﴾
Wend u dus gedurende eenen tijd van hen af.
وَأَبْصِرْهُمْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ ﴿١٧٥﴾
En zie de rampen die hen zullen bedroeven; want zij zullen uwe toekomstige overwinning en uwen voorspoed zien.
أَفَبِعَذَابِنَا يَسْتَعْجِلُونَ ﴿١٧٦﴾
Trachten zij daarom onze wraak te verhaasten?
فَإِذَا نَزَلَ بِسَاحَتِهِمْ فَسَآءَ صَبَاحُ ٱلْمُنذَرِينَ ﴿١٧٧﴾
Waarlijk, wanneer die in hunne afgesloten hoven zal nederdalen, zal het een slechte ochtend zijn voor hen, die te vergeefs werden gewaarschuwd.
وَتَوَلَّ عَنْهُمْ حَتَّىٰ حِينٍۢ ﴿١٧٨﴾
Wend u dus voor eenigen tijd van hen af.
وَأَبْصِرْ فَسَوْفَ يُبْصِرُونَ ﴿١٧٩﴾
Hierna zullen zij uwe overwinning en hunne straf ontwaren.
سُبْحَـٰنَ رَبِّكَ رَبِّ ٱلْعِزَّةِ عَمَّا يَصِفُونَ ﴿١٨٠﴾
Geloofd zij uw Heer, de Heer die verre verheven is boven hetgeen zij van hem verklaren!
وَسَلَـٰمٌ عَلَى ٱلْمُرْسَلِينَ ﴿١٨١﴾
Vrede zij op zijne gezanten.
وَٱلْحَمْدُ لِلَّهِ رَبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ ﴿١٨٢﴾
En geloofd zij God, de Heer van alle schepselen!