Ruku 502 komt uit soera Al-Maarij (verzen 1 tot 35). Hij bevat 35 verzen en behoort tot Djoez 29.
Bijgewerkt op 10 juli 2026 om 03h41
coran.read_full_page : Ruku 502 van de Koran lezen →
يُبَصَّرُونَهُمْ ۚ يَوَدُّ ٱلْمُجْرِمُ لَوْ يَفْتَدِى مِنْ عَذَابِ يَوْمِئِذٍۭ بِبَنِيهِ ﴿١١﴾
Hoewel zij elkander zien. De zondaar zal trachten, zich van de straf van dien dag los te koopen, door zijne kinderen op te offeren
وَصَـٰحِبَتِهِۦ وَأَخِيهِ ﴿١٢﴾
En zijne vrouw en zijn broeder.
وَفَصِيلَتِهِ ٱلَّتِى تُـْٔوِيهِ ﴿١٣﴾
En zijne bloedverwanten die hem vriendschap bewezen;
وَمَن فِى ٱلْأَرْضِ جَمِيعًۭا ثُمَّ يُنجِيهِ ﴿١٤﴾
En allen die op aarde zijn. Hij zal begeeren daardoor gered te worden.
كَلَّآ ۖ إِنَّهَا لَظَىٰ ﴿١٥﴾
Maar in geenen deele; want het hellevuur,
نَزَّاعَةًۭ لِّلشَّوَىٰ ﴿١٦﴾
Dat hen bij de schedels zal grijpen,
تَدْعُوا۟ مَنْ أَدْبَرَ وَتَوَلَّىٰ ﴿١٧﴾
Zal iederen persoon opeischen, die zijn rug zal hebben toegewend, en het geloof ontvlucht is.
وَجَمَعَ فَأَوْعَىٰٓ ﴿١٨﴾
En die rijkdommen verzameld heeft, en deze gierig ophoopt.
۞ إِنَّ ٱلْإِنسَـٰنَ خُلِقَ هَلُوعًا ﴿١٩﴾
Waarlijk, de mensch is zeer begeerig geschapen.
إِذَا مَسَّهُ ٱلشَّرُّ جَزُوعًۭا ﴿٢٠﴾
Als het kwaad hem treft, is hij ternedergeslagen.
وَإِذَا مَسَّهُ ٱلْخَيْرُ مَنُوعًا ﴿٢١﴾
Maar als het goede hem toevloeit, word hij karig.
إِلَّا ٱلْمُصَلِّينَ ﴿٢٢﴾
Zoo bestaan niet degenen die godvruchtig zijn.
ٱلَّذِينَ هُمْ عَلَىٰ صَلَاتِهِمْ دَآئِمُونَ ﴿٢٣﴾
Die in hunne gebeden volharden.
وَٱلَّذِينَ فِىٓ أَمْوَٰلِهِمْ حَقٌّۭ مَّعْلُومٌۭ ﴿٢٤﴾
En zij, die gereed zijn, een zeker voegzaam deel van hunne bezittingen te geven.
لِّلسَّآئِلِ وَٱلْمَحْرُومِ ﴿٢٥﴾
Aan hem die vraagt, en aan hem, die door schaamte teruggehouden wordt te vragen.
وَٱلَّذِينَ يُصَدِّقُونَ بِيَوْمِ ٱلدِّينِ ﴿٢٦﴾
Zij, die oprecht in den dag des oordeels gelooven,
وَٱلَّذِينَ هُم مِّنْ عَذَابِ رَبِّهِم مُّشْفِقُونَ ﴿٢٧﴾
En de straf van hunnen Heer vreezen
إِنَّ عَذَابَ رَبِّهِمْ غَيْرُ مَأْمُونٍۢ ﴿٢٨﴾
(Want niemand is beveiligd tegen de straf van zijnen Heer).
وَٱلَّذِينَ هُمْ لِفُرُوجِهِمْ حَـٰفِظُونَ ﴿٢٩﴾
Die ingetogen leven.
إِلَّا عَلَىٰٓ أَزْوَٰجِهِمْ أَوْ مَا مَلَكَتْ أَيْمَـٰنُهُمْ فَإِنَّهُمْ غَيْرُ مَلُومِينَ ﴿٣٠﴾
En die geen gemeenschap hebben met andere vrouwen dan met de hunne, of de slavinnen, die door hunne rechterhanden worden bezeten; want zij zijn zonder blaam.
فَمَنِ ٱبْتَغَىٰ وَرَآءَ ذَٰلِكَ فَأُو۟لَـٰٓئِكَ هُمُ ٱلْعَادُونَ ﴿٣١﴾
Maar zij, die gemeenschap met andere vrouwen buiten deze hebben, zijn zondaren.
وَٱلَّذِينَ هُمْ لِأَمَـٰنَـٰتِهِمْ وَعَهْدِهِمْ رَٰعُونَ ﴿٣٢﴾
Zij, die wat hun werd toevertrouwd en hun verbond getrouw bewaren.
وَٱلَّذِينَ هُم بِشَهَـٰدَٰتِهِمْ قَآئِمُونَ ﴿٣٣﴾
Die onwrikbaar in hunne verklaringen zijn.
وَٱلَّذِينَ هُمْ عَلَىٰ صَلَاتِهِمْ يُحَافِظُونَ ﴿٣٤﴾
En die de vereischte voorschriften bij hunne gebeden nauwkeurig in acht nemen.
أُو۟لَـٰٓئِكَ فِى جَنَّـٰتٍۢ مُّكْرَمُونَ ﴿٣٥﴾
Deze zullen hooggeëerd zijn, en te midden van tuinen wonen.