Ruku 537 komt uit soera At-Tin (verzen 1 tot 8). Hij bevat 8 verzen en behoort tot Djoez 30.
Bijgewerkt op 10 juli 2026 om 03h41
coran.read_full_page : Ruku 537 van de Koran lezen →
وَٱلتِّينِ وَٱلزَّيْتُونِ ﴿١﴾
Ik zweer bij de vijgen den olijf,
وَطُورِ سِينِينَ ﴿٢﴾
En bij den berg Sinaï,
وَهَـٰذَا ٱلْبَلَدِ ٱلْأَمِينِ ﴿٣﴾
En bij dit grondgebied der zekerheid.
لَقَدْ خَلَقْنَا ٱلْإِنسَـٰنَ فِىٓ أَحْسَنِ تَقْوِيمٍۢ ﴿٤﴾
Waarlijk, wij hebben den mensch in den schoonsten vorm geschapen;
ثُمَّ رَدَدْنَـٰهُ أَسْفَلَ سَـٰفِلِينَ ﴿٥﴾
Daarna hebben wij hem tot den laagste der laagsten gemaakt.
إِلَّا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّـٰلِحَـٰتِ فَلَهُمْ أَجْرٌ غَيْرُ مَمْنُونٍۢ ﴿٦﴾
Behalve degenen die gelooven en het goede doen; want deze zullen eene eindelooze belooning ontvangen.
فَمَا يُكَذِّبُكَ بَعْدُ بِٱلدِّينِ ﴿٧﴾
Wat zal u dus hierna den dag des oordeels doen loochenen?
أَلَيْسَ ٱللَّهُ بِأَحْكَمِ ٱلْحَـٰكِمِينَ ﴿٨﴾
Is God niet de wijste rechter.