Pagina 568 van de Mushaf bevat 28 verzen. Ze behoort tot Djoez 29, Hizb 57.
Bijgewerkt op 10 juli 2026 om 03h41
coran.read_full_page : Pagina 568 van de Koran lezen →
فَلَيْسَ لَهُ ٱلْيَوْمَ هَـٰهُنَا حَمِيمٌۭ ﴿٣٥﴾
Daarom zal hij hier dezen dag geen vriend hebben.
وَلَا طَعَامٌ إِلَّا مِنْ غِسْلِينٍۢ ﴿٣٦﴾
Noch eenig voedsel, behalve het bedorven vocht, dat uit de lichamen der verdoemde vloeit.
لَّا يَأْكُلُهُۥٓ إِلَّا ٱلْخَـٰطِـُٔونَ ﴿٣٧﴾
Dat niemand zal genieten, behalve de zondaren.
فَلَآ أُقْسِمُ بِمَا تُبْصِرُونَ ﴿٣٨﴾
Ik zweer bij datgene wat gij ziet.
وَمَا لَا تُبْصِرُونَ ﴿٣٩﴾
En datgene wat gij niet ziet.
إِنَّهُۥ لَقَوْلُ رَسُولٍۢ كَرِيمٍۢ ﴿٤٠﴾
Dat dit het gesprek van een eerbiedwaardigen gezant is.
وَمَا هُوَ بِقَوْلِ شَاعِرٍۢ ۚ قَلِيلًۭا مَّا تُؤْمِنُونَ ﴿٤١﴾
En niet het gesprek van een dichter. O, hoe weinig gelooft gij!
وَلَا بِقَوْلِ كَاهِنٍۢ ۚ قَلِيلًۭا مَّا تَذَكَّرُونَ ﴿٤٢﴾
Ook is het niet het gesprek van een waarzegger. O, hoe weinig overweegt gij!
تَنزِيلٌۭ مِّن رَّبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ ﴿٤٣﴾
Het is eene openbaring van den Heer van alle schepselen.
وَلَوْ تَقَوَّلَ عَلَيْنَا بَعْضَ ٱلْأَقَاوِيلِ ﴿٤٤﴾
Indien Mahomet iets van deze gesprekken nopens ons zou hebben uitgedacht.
لَأَخَذْنَا مِنْهُ بِٱلْيَمِينِ ﴿٤٥﴾
Waarlijk, wij zouden hem bij de rechterhand hebben gegrepen.
ثُمَّ لَقَطَعْنَا مِنْهُ ٱلْوَتِينَ ﴿٤٦﴾
En wij zouden de ader van zijn hart hebben doorgesneden.
فَمَا مِنكُم مِّنْ أَحَدٍ عَنْهُ حَـٰجِزِينَ ﴿٤٧﴾
En wij zouden niemand uwer verhinderd hebben, hem te kastijden.
وَإِنَّهُۥ لَتَذْكِرَةٌۭ لِّلْمُتَّقِينَ ﴿٤٨﴾
Waarlijk, dit boek is eene vermaning voor den vrome.
وَإِنَّا لَنَعْلَمُ أَنَّ مِنكُم مُّكَذِّبِينَ ﴿٤٩﴾
En wij weten wel, dat er sommige uwer zijn, die den Koran van bedrog beschuldigen.
وَإِنَّهُۥ لَحَسْرَةٌ عَلَى ٱلْكَـٰفِرِينَ ﴿٥٠﴾
Maar hij zal de oorzaak van de wanhoop der ongeloovigen zijn;
وَإِنَّهُۥ لَحَقُّ ٱلْيَقِينِ ﴿٥١﴾
Want het is de zekere waarheid.
فَسَبِّحْ بِٱسْمِ رَبِّكَ ٱلْعَظِيمِ ﴿٥٢﴾
Daarom prijs den naam van uwen Heer, den grooten God.
سَأَلَ سَآئِلٌۢ بِعَذَابٍۢ وَاقِعٍۢ ﴿١﴾
Iemand vraagt en roept om wraak.
لِّلْكَـٰفِرِينَ لَيْسَ لَهُۥ دَافِعٌۭ ﴿٢﴾
Over de ongeloovigen. Er zal niemand wezen, die verhinderen kan.
مِّنَ ٱللَّهِ ذِى ٱلْمَعَارِجِ ﴿٣﴾
Dat God hen bedroeven, de meester der trappen.
تَعْرُجُ ٱلْمَلَـٰٓئِكَةُ وَٱلرُّوحُ إِلَيْهِ فِى يَوْمٍۢ كَانَ مِقْدَارُهُۥ خَمْسِينَ أَلْفَ سَنَةٍۢ ﴿٤﴾
Langs welke de engelen tot hem opstijgen in een dag, wiens uitgebreidheid vijftig duizend jaren bedraagt.
فَٱصْبِرْ صَبْرًۭا جَمِيلًا ﴿٥﴾
Daarom, verdraagt de beleedigingen van de bewoners van Mekka met lofwaardig geduld.
إِنَّهُمْ يَرَوْنَهُۥ بَعِيدًۭا ﴿٦﴾
Want zij (de ongeloovigen) zien hunne straf ver verwijderd.
وَنَرَىٰهُ قَرِيبًۭا ﴿٧﴾
Maar wij zien die nabij.
يَوْمَ تَكُونُ ٱلسَّمَآءُ كَٱلْمُهْلِ ﴿٨﴾
Op een zekeren dag zal de hemel als gesmolten koper worden.
وَتَكُونُ ٱلْجِبَالُ كَٱلْعِهْنِ ﴿٩﴾
En de bergen gelijk wol van verschillende kleuren, door den wind uiteengedreven.
وَلَا يَسْـَٔلُ حَمِيمٌ حَمِيمًۭا ﴿١٠﴾
En een vriend zal den ander niet naar zijn toestand vragen