Pagina 596 van de Mushaf bevat 26 verzen. Ze behoort tot Djoez 30, Hizb 60.
Bijgewerkt op 10 juli 2026 om 03h41
coran.read_full_page : Pagina 596 van de Koran lezen →
لَا يَصْلَىٰهَآ إِلَّا ٱلْأَشْقَى ﴿١٥﴾
Waarin niemand zal worden geworpen om verbrand te worden, behalve de meest verdorvenen.
ٱلَّذِى كَذَّبَ وَتَوَلَّىٰ ﴿١٦﴾
Die niet geloofd en zich afgewend zullen hebben.
وَسَيُجَنَّبُهَا ٱلْأَتْقَى ﴿١٧﴾
Maar hij die zich gestreng (voor afgoderij en weêrspannigheid) in acht neemt, dien zullen wij ver van daar voeren:
ٱلَّذِى يُؤْتِى مَالَهُۥ يَتَزَكَّىٰ ﴿١٨﴾
Die zijn vermogen aan aalmoezen besteedt, om zich meer te zuiveren,
وَمَا لِأَحَدٍ عِندَهُۥ مِن نِّعْمَةٍۢ تُجْزَىٰٓ ﴿١٩﴾
En niet opdat hem zijne weldaden zullen worden beloond.
إِلَّا ٱبْتِغَآءَ وَجْهِ رَبِّهِ ٱلْأَعْلَىٰ ﴿٢٠﴾
Maar die zijn vermogen voor de zaak van zijn Heer, den Verhevenste besteedt.
وَلَسَوْفَ يَرْضَىٰ ﴿٢١﴾
En hierna zal hij gewis voldaan zijn met zijne belooning.
وَٱلضُّحَىٰ ﴿١﴾
Ik zweer bij den glans van den ochtend.
وَٱلَّيْلِ إِذَا سَجَىٰ ﴿٢﴾
En bij den nacht als die duister wordt.
مَا وَدَّعَكَ رَبُّكَ وَمَا قَلَىٰ ﴿٣﴾
Uw Heer heeft u niet vergeten, en haat u niet.
وَلَلْـَٔاخِرَةُ خَيْرٌۭ لَّكَ مِنَ ٱلْأُولَىٰ ﴿٤﴾
Waarlijk het volgende leven zal beter dan dit tegenwoordige leven voor u wezen.
وَلَسَوْفَ يُعْطِيكَ رَبُّكَ فَتَرْضَىٰٓ ﴿٥﴾
Uw Heer zal u eene belooning geven, waarover gij wel voldaan zult zijn.
أَلَمْ يَجِدْكَ يَتِيمًۭا فَـَٔاوَىٰ ﴿٦﴾
Vond hij u niet als een wees, en heeft hij geene zorg voor u gedragen?
وَوَجَدَكَ ضَآلًّۭا فَهَدَىٰ ﴿٧﴾
En vond hij u niet dolende in dwaling, en heeft hij u niet de waarheid binnengeleid?
وَوَجَدَكَ عَآئِلًۭا فَأَغْنَىٰ ﴿٨﴾
En vond hij u niet nooddruftig, en heeft hij u niet verrijkt?
فَأَمَّا ٱلْيَتِيمَ فَلَا تَقْهَرْ ﴿٩﴾
Verdruk daarom den wees niet.
وَأَمَّا ٱلسَّآئِلَ فَلَا تَنْهَرْ ﴿١٠﴾
Noch verdrijf den bedelaar;
وَأَمَّا بِنِعْمَةِ رَبِّكَ فَحَدِّثْ ﴿١١﴾
Maar verklaar Gods goedheid.
أَلَمْ نَشْرَحْ لَكَ صَدْرَكَ ﴿١﴾
Hebben wij uwe borst niet geopend.
وَوَضَعْنَا عَنكَ وِزْرَكَ ﴿٢﴾
En u van uwen last bevrijd.
ٱلَّذِىٓ أَنقَضَ ظَهْرَكَ ﴿٣﴾
Die uwe schouders nederdrukte?
وَرَفَعْنَا لَكَ ذِكْرَكَ ﴿٤﴾
Hebben wij uwen naam niet verheven?
فَإِنَّ مَعَ ٱلْعُسْرِ يُسْرًا ﴿٥﴾
Maar naast den tegenspoed is het geluk.
إِنَّ مَعَ ٱلْعُسْرِ يُسْرًۭا ﴿٦﴾
Waarlijk, naast den tegenspoed is het geluk.
فَإِذَا فَرَغْتَ فَٱنصَبْ ﴿٧﴾
Als gij uwe prediking zult geëindigd hebben, arbeidt dan om God voor zijne gunsten te dienen.
وَإِلَىٰ رَبِّكَ فَٱرْغَب ﴿٨﴾
En richt uwe smeekingen tot uwen Heer.