Pagina 534 van de Mushaf bevat 27 verzen. Ze behoort tot Djoez 27, Hizb 54.
Bijgewerkt op 10 juli 2026 om 03h41
coran.read_full_page : Pagina 534 van de Koran lezen →
فِيهِمَا فَـٰكِهَةٌۭ وَنَخْلٌۭ وَرُمَّانٌۭ ﴿٦٨﴾
In elken van dezen zullen vruchten, palmboomen en granaatappelen zijn.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٦٩﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
فِيهِنَّ خَيْرَٰتٌ حِسَانٌۭ ﴿٧٠﴾
Daarin zullen liefelijke en schoone maagden zijn.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٧١﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
حُورٌۭ مَّقْصُورَٰتٌۭ فِى ٱلْخِيَامِ ﴿٧٢﴾
Hebbende schoone, zwarte oogen, en door pavilloenen voor het oog verborgen.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٧٣﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
لَمْ يَطْمِثْهُنَّ إِنسٌۭ قَبْلَهُمْ وَلَا جَآنٌّۭ ﴿٧٤﴾
Welke vóór de haar bestemde echtgenooten, door man noch genius, zijn aangeraakt.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٧٥﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
مُتَّكِـِٔينَ عَلَىٰ رَفْرَفٍ خُضْرٍۢ وَعَبْقَرِىٍّ حِسَانٍۢ ﴿٧٦﴾
Daar zullen zij zich vermaken, liggende op groene kussens en prachtige tapijten.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٧٧﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
تَبَـٰرَكَ ٱسْمُ رَبِّكَ ذِى ٱلْجَلَـٰلِ وَٱلْإِكْرَامِ ﴿٧٨﴾
Geloofd zij de naam van uwen Heer, die met glans en eer is omgeven.
إِذَا وَقَعَتِ ٱلْوَاقِعَةُ ﴿١﴾
Als de onvermijdelijke dag des oordeels plotseling zal komen.
لَيْسَ لِوَقْعَتِهَا كَاذِبَةٌ ﴿٢﴾
Zal geene ziel de voorspelling zijner komst van valschheid beschuldigen.
خَافِضَةٌۭ رَّافِعَةٌ ﴿٣﴾
Sommigen zullen daardoor vernederd, en anderen verheven worden.
إِذَا رُجَّتِ ٱلْأَرْضُ رَجًّۭا ﴿٤﴾
Als de aarde door een hevigen schok zal geschud worden.
وَبُسَّتِ ٱلْجِبَالُ بَسًّۭا ﴿٥﴾
En de bergen in stukken zullen springen.
فَكَانَتْ هَبَآءًۭ مُّنۢبَثًّۭا ﴿٦﴾
En als weggeblazen stof zullen worden.
وَكُنتُمْ أَزْوَٰجًۭا ثَلَـٰثَةًۭ ﴿٧﴾
En gij, menschen, in drie duidelijke klassen zult verdeeld worden.
فَأَصْحَـٰبُ ٱلْمَيْمَنَةِ مَآ أَصْحَـٰبُ ٱلْمَيْمَنَةِ ﴿٨﴾
De makkers van de rechterhand (hoe gelukkig zullen de makkers der rechterhand wezen).
وَأَصْحَـٰبُ ٱلْمَشْـَٔمَةِ مَآ أَصْحَـٰبُ ٱلْمَشْـَٔمَةِ ﴿٩﴾
En de makkers der linkerhand, (hoe ellendig zullen de makkers der linkerhand zijn);
وَٱلسَّـٰبِقُونَ ٱلسَّـٰبِقُونَ ﴿١٠﴾
En zij, die anderen in het geloof zijn voorgegaan, zullen hen in het paradijs voorafgaan.
أُو۟لَـٰٓئِكَ ٱلْمُقَرَّبُونَ ﴿١١﴾
Dat zijn zij, die God zullen naderen.
فِى جَنَّـٰتِ ٱلنَّعِيمِ ﴿١٢﴾
Zij zullen in tuinen van vermaak wonen.
ثُلَّةٌۭ مِّنَ ٱلْأَوَّلِينَ ﴿١٣﴾
Daar zullen velen van de vroegere godsdiensten.
وَقَلِيلٌۭ مِّنَ ٱلْـَٔاخِرِينَ ﴿١٤﴾
En enkelen van den lateren zijn.
عَلَىٰ سُرُرٍۢ مَّوْضُونَةٍۢ ﴿١٥﴾
Rustende op zetels met goud en edelgesteenten versierd.
مُّتَّكِـِٔينَ عَلَيْهَا مُتَقَـٰبِلِينَ ﴿١٦﴾
En tegenover elkander daarop zittende.