Ruku 468 komt uit soera Ar-Rahman (verzen 46 tot 78). Hij bevat 33 verzen en behoort tot Djoez 27.
Bijgewerkt op 05 augustus 2026 om 16h34
Lees de volledige pagina : Ruku 468 van de Koran lezen →
وَلِمَنْ خَافَ مَقَامَ رَبِّهِۦ جَنَّتَانِ ﴿٤٦﴾
Maar voor hem, die de rechtbank zijns Heeren vreest, zijn twee tuinen gemaakt.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٤٧﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
ذَوَاتَآ أَفْنَانٍۢ ﴿٤٨﴾
Met schaduwrijke boomen beplant.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٤٩﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
فِيهِمَا عَيْنَانِ تَجْرِيَانِ ﴿٥٠﴾
In elken daarvan zullen twee fonteinen stroomen.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٥١﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
فِيهِمَا مِن كُلِّ فَـٰكِهَةٍۢ زَوْجَانِ ﴿٥٢﴾
In elken van hen zullen twee soorten van elke vrucht zijn.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٥٣﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
مُتَّكِـِٔينَ عَلَىٰ فُرُشٍۭ بَطَآئِنُهَا مِنْ إِسْتَبْرَقٍۢ ۚ وَجَنَى ٱلْجَنَّتَيْنِ دَانٍۢ ﴿٥٤﴾
Zij zullen op zetels rusten, waarvan de leuningen zullen gevormd zijn van zijde met goud doorweven, en de vrucht zal dicht bij de hand zijn, om verzameld te worden.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٥٥﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
فِيهِنَّ قَـٰصِرَٰتُ ٱلطَّرْفِ لَمْ يَطْمِثْهُنَّ إِنسٌۭ قَبْلَهُمْ وَلَا جَآنٌّۭ ﴿٥٦﴾
Daar zullen zij door schoone maagden worden ontvangen, die hare oogen van ieder, behalve van hare echtgenooten, zullen afwenden; die nimmer vóór hen, door een man of een genius zijn aangeraakt.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٥٧﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
كَأَنَّهُنَّ ٱلْيَاقُوتُ وَٱلْمَرْجَانُ ﴿٥٨﴾
Hebbende huiden als robijnen en paarlen.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٥٩﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
هَلْ جَزَآءُ ٱلْإِحْسَـٰنِ إِلَّا ٱلْإِحْسَـٰنُ ﴿٦٠﴾
Waardoor zou het goede anders dan door het goede beloond worden?
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٦١﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
وَمِن دُونِهِمَا جَنَّتَانِ ﴿٦٢﴾
En naast deze, zullen twee anderen tuinen zijn.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٦٣﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
مُدْهَآمَّتَانِ ﴿٦٤﴾
Van donker groen.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٦٥﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
فِيهِمَا عَيْنَانِ نَضَّاخَتَانِ ﴿٦٦﴾
In elken daarvan zullen twee fonteinen een overvloed van water doen uitstroomen.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٦٧﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
فِيهِمَا فَـٰكِهَةٌۭ وَنَخْلٌۭ وَرُمَّانٌۭ ﴿٦٨﴾
In elken van dezen zullen vruchten, palmboomen en granaatappelen zijn.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٦٩﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
فِيهِنَّ خَيْرَٰتٌ حِسَانٌۭ ﴿٧٠﴾
Daarin zullen liefelijke en schoone maagden zijn.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٧١﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
حُورٌۭ مَّقْصُورَٰتٌۭ فِى ٱلْخِيَامِ ﴿٧٢﴾
Hebbende schoone, zwarte oogen, en door pavilloenen voor het oog verborgen.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٧٣﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
لَمْ يَطْمِثْهُنَّ إِنسٌۭ قَبْلَهُمْ وَلَا جَآنٌّۭ ﴿٧٤﴾
Welke vóór de haar bestemde echtgenooten, door man noch genius, zijn aangeraakt.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٧٥﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
مُتَّكِـِٔينَ عَلَىٰ رَفْرَفٍ خُضْرٍۢ وَعَبْقَرِىٍّ حِسَانٍۢ ﴿٧٦﴾
Daar zullen zij zich vermaken, liggende op groene kussens en prachtige tapijten.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكُمَا تُكَذِّبَانِ ﴿٧٧﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer zult gij dus ondankbaar loochenen?
تَبَـٰرَكَ ٱسْمُ رَبِّكَ ذِى ٱلْجَلَـٰلِ وَٱلْإِكْرَامِ ﴿٧٨﴾
Geloofd zij de naam van uwen Heer, die met glans en eer is omgeven.