Ruku 319 komt uit soera Ash-Shuara (verzen 53 tot 69). Hij bevat 17 verzen en behoort tot Djoez 19.
Bijgewerkt op 05 augustus 2026 om 16h34
Lees de volledige pagina : Ruku 319 van de Koran lezen →
فَأَرْسَلَ فِرْعَوْنُ فِى ٱلْمَدَآئِنِ حَـٰشِرِينَ ﴿٥٣﴾
En Pharao zond beambten in de steden om strijdkrachten te verzamelen
إِنَّ هَـٰٓؤُلَآءِ لَشِرْذِمَةٌۭ قَلِيلُونَ ﴿٥٤﴾
Zeggende: Waarlijk de Israëlieten maken slechts eene kleine hoop volk uit.
وَإِنَّهُمْ لَنَا لَغَآئِظُونَ ﴿٥٥﴾
En zij zijn verwoed op ons.
وَإِنَّا لَجَمِيعٌ حَـٰذِرُونَ ﴿٥٦﴾
Maar wij vormen eene welvoorziene menigte.
فَأَخْرَجْنَـٰهُم مِّن جَنَّـٰتٍۢ وَعُيُونٍۢ ﴿٥٧﴾
Zoo deden wij hun hunne tuinen, hunne fonteinen,
وَكُنُوزٍۢ وَمَقَامٍۢ كَرِيمٍۢ ﴿٥٨﴾
Hunne schatten en heerlijke woningen verlaten.
كَذَٰلِكَ وَأَوْرَثْنَـٰهَا بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ ﴿٥٩﴾
Zoo deden wij, en wij deden die den kinderen Israëls erven.
فَأَتْبَعُوهُم مُّشْرِقِينَ ﴿٦٠﴾
En zij vervolgden hen bij het opgaan der zon.
فَلَمَّا تَرَٰٓءَا ٱلْجَمْعَانِ قَالَ أَصْحَـٰبُ مُوسَىٰٓ إِنَّا لَمُدْرَكُونَ ﴿٦١﴾
En toen de beide legers in elkanders gezicht waren gekomen, zeiden de makkers van Mozes: Wij zullen zekerlijk worden overwonnen.
قَالَ كَلَّآ ۖ إِنَّ مَعِىَ رَبِّى سَيَهْدِينِ ﴿٦٢﴾
Mozes antwoordde: Volstrekt niet: want mijn Heer is met mij; hij zal mij zekerlijk leiden.
فَأَوْحَيْنَآ إِلَىٰ مُوسَىٰٓ أَنِ ٱضْرِب بِّعَصَاكَ ٱلْبَحْرَ ۖ فَٱنفَلَقَ فَكَانَ كُلُّ فِرْقٍۢ كَٱلطَّوْدِ ٱلْعَظِيمِ ﴿٦٣﴾
En wij bevalen Mozes door openbaring, zeggende: Sla de zee met uwen staf. En toen hij haar had geslagen werd zij in twaalf afdeelingen verdeeld; ieder deel, dat een pad was, scheen een groote berg.
وَأَزْلَفْنَا ثَمَّ ٱلْـَٔاخَرِينَ ﴿٦٤﴾
En wij lieten de anderen naderen.
وَأَنجَيْنَا مُوسَىٰ وَمَن مَّعَهُۥٓ أَجْمَعِينَ ﴿٦٥﴾
En wij bevrijdden Mozes en allen die met hem waren.
ثُمَّ أَغْرَقْنَا ٱلْـَٔاخَرِينَ ﴿٦٦﴾
Daarna verdronken wij de anderen.
إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَـَٔايَةًۭ ۖ وَمَا كَانَ أَكْثَرُهُم مُّؤْمِنِينَ ﴿٦٧﴾
Waarlijk daarin was een teeken; maar het grootste aantal hunner geloofden niet.
وَإِنَّ رَبَّكَ لَهُوَ ٱلْعَزِيزُ ٱلرَّحِيمُ ﴿٦٨﴾
Waarlijk, uw Heer is de machtige en de barmhartige.
وَٱتْلُ عَلَيْهِمْ نَبَأَ إِبْرَٰهِيمَ ﴿٦٩﴾
En herinner hun de geschiedenis van Abraham.