النبإ · Djoez 30
Ga naar
Favorieten
Reciteerder
Afspeelsnelheid
Vers herhalen
Herhalen
Automatisch scrollen
Vertaling
Arabisch lettertype
Tekstgrootte
Arabisch
Vertaling
Te memoriseren bereik
Herhalingen
Per vers
Volledige lus
Hoofdreciteerder
Bezig - A-B-lus /

Hizb 59 van de Koran lezen

Hizb 59 maakt deel uit van Djoez 30. Hij bevat 276 verzen op 23 pagina('s) van de Mushaf.

Bijgewerkt op 10 juli 2026 om 03h41

Pagina 582
Hizb 59
سورة النبإ
Djoez 30 0.0% (0/564)
Hizb 59 0.0% (0/276)

عَمَّ يَتَسَآءَلُونَ ﴿١﴾

Nopens wat ondervragen de ongeloovigen elkander?

عَنِ ٱلنَّبَإِ ٱلْعَظِيمِ ﴿٢﴾

Nopens het groote nieuws der opstanding.

ٱلَّذِى هُمْ فِيهِ مُخْتَلِفُونَ ﴿٣﴾

Omtrent welke zij niet overeenstemmen.

كَلَّا سَيَعْلَمُونَ ﴿٤﴾

Waarlijk, zij zullen hiernamaals de waarheid daarvan kennen.

ثُمَّ كَلَّا سَيَعْلَمُونَ ﴿٥﴾

Nogmaals, zij zullen hiernamaals de waarheid daarvan kennen.

أَلَمْ نَجْعَلِ ٱلْأَرْضَ مِهَـٰدًۭا ﴿٦﴾

Hebben wij de aarde niet als een bed gespreid.

وَٱلْجِبَالَ أَوْتَادًۭا ﴿٧﴾

En de bergen als staken om haar te bevestigen?

وَخَلَقْنَـٰكُمْ أَزْوَٰجًۭا ﴿٨﴾

Hebben wij u niet van twee seksen geschapen.

وَجَعَلْنَا نَوْمَكُمْ سُبَاتًۭا ﴿٩﴾

En bepaald dat gij slapen zoudt om te rusten?

وَجَعَلْنَا ٱلَّيْلَ لِبَاسًۭا ﴿١٠﴾

Hebben wij van den nacht, geen kleed gemaakt om u te bedekken.

وَجَعَلْنَا ٱلنَّهَارَ مَعَاشًۭا ﴿١١﴾

En hebben wij niet den dag bestemd, ten einde daarop uw levensonderhoud te winnen?

وَبَنَيْنَا فَوْقَكُمْ سَبْعًۭا شِدَادًۭا ﴿١٢﴾

Hebben wij niet zeven stevige hemelen boven u gebouwd.

وَجَعَلْنَا سِرَاجًۭا وَهَّاجًۭا ﴿١٣﴾

En daarin eene brandende lamp geplaatst?

وَأَنزَلْنَا مِنَ ٱلْمُعْصِرَٰتِ مَآءًۭ ثَجَّاجًۭا ﴿١٤﴾

En doen wij niet, uit de wolken, een overvloed van water stroomen.

لِّنُخْرِجَ بِهِۦ حَبًّۭا وَنَبَاتًۭا ﴿١٥﴾

Om daardoor graan en kruiden voort te brengen.

وَجَنَّـٰتٍ أَلْفَافًا ﴿١٦﴾

En tuinen, dicht beplant met boomen?

إِنَّ يَوْمَ ٱلْفَصْلِ كَانَ مِيقَـٰتًۭا ﴿١٧﴾

Waarlijk, de dag der scheiding is een onbepaald tijdstip;

يَوْمَ يُنفَخُ فِى ٱلصُّورِ فَتَأْتُونَ أَفْوَاجًۭا ﴿١٨﴾

De dag waarop de trompet zal klinken, en gij in scharen ten oordeel zult optrekken.

وَفُتِحَتِ ٱلسَّمَآءُ فَكَانَتْ أَبْوَٰبًۭا ﴿١٩﴾

De hemelen zullen geopend wezen, en zij zullen vol poorten zijn, om er de engelen te laten doorgaan.

وَسُيِّرَتِ ٱلْجِبَالُ فَكَانَتْ سَرَابًا ﴿٢٠﴾

De bergen zullen voorbijgaan, en als damp worden.

إِنَّ جَهَنَّمَ كَانَتْ مِرْصَادًۭا ﴿٢١﴾

Waarlijk, de hel zal eene plaats van verbranding zijn;

لِّلطَّـٰغِينَ مَـَٔابًۭا ﴿٢٢﴾

Eene bergplaats voor de zondaren

لَّـٰبِثِينَ فِيهَآ أَحْقَابًۭا ﴿٢٣﴾

Die daar gedurende eeuwen zullen wonen.

لَّا يَذُوقُونَ فِيهَا بَرْدًۭا وَلَا شَرَابًا ﴿٢٤﴾

Zij zullen daar geenerlei verversching proeven, noch eenigen drank.

إِلَّا حَمِيمًۭا وَغَسَّاقًۭا ﴿٢٥﴾

Behalve kokend water en bedorven vocht:

جَزَآءًۭ وِفَاقًا ﴿٢٦﴾

Eene geschikte vergelding voor hunne daden!

إِنَّهُمْ كَانُوا۟ لَا يَرْجُونَ حِسَابًۭا ﴿٢٧﴾

Want zij hoopten, dat zij geene rekenschap zouden moeten afleggen.

وَكَذَّبُوا۟ بِـَٔايَـٰتِنَا كِذَّابًۭا ﴿٢٨﴾

En zij geloofden niet in onze teekenen, welke zij van valschheid beschuldigden.

وَكُلَّ شَىْءٍ أَحْصَيْنَـٰهُ كِتَـٰبًۭا ﴿٢٩﴾

Maar elke zaak hebben wij opgeteld en nedergeschreven.

فَذُوقُوا۟ فَلَن نَّزِيدَكُمْ إِلَّا عَذَابًا ﴿٣٠﴾

Proef dus de vergelding: wij zullen u niets dan marteling toevoegen.

Pagina 583
Hizb 59
سورة النبإ
Djoez 30 5.3% (30/564)
Hizb 59 10.9% (30/276)

إِنَّ لِلْمُتَّقِينَ مَفَازًا ﴿٣١﴾

Maar voor de godvruchtigen is eene plaats van heil gereed gemaakt:

حَدَآئِقَ وَأَعْنَـٰبًۭا ﴿٣٢﴾

Tuinen met boomen beplant en wijngaarden.

وَكَوَاعِبَ أَتْرَابًۭا ﴿٣٣﴾

En maagden met zwellende borsten, van gelijken ouderdom met hen.

وَكَأْسًۭا دِهَاقًۭا ﴿٣٤﴾

En een vollen beker.

لَّا يَسْمَعُونَ فِيهَا لَغْوًۭا وَلَا كِذَّٰبًۭا ﴿٣٥﴾

Zij zullen daar geene ijdele gesprekken, of eenige onwaarheid hooren.

جَزَآءًۭ مِّن رَّبِّكَ عَطَآءً حِسَابًۭا ﴿٣٦﴾

Dit zal hunne belooning wezen van hunnen Heer; eene volkomen toereikende gift.

رَّبِّ ٱلسَّمَـٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا ٱلرَّحْمَـٰنِ ۖ لَا يَمْلِكُونَ مِنْهُ خِطَابًۭا ﴿٣٧﴾

Van den Heer over hemel en aarde, en over alles wat daartusschen is: den Barmhartigen; maar de bewoners van den hemel of de aarde zullen hem geen gehoor durven vragen.

يَوْمَ يَقُومُ ٱلرُّوحُ وَٱلْمَلَـٰٓئِكَةُ صَفًّۭا ۖ لَّا يَتَكَلَّمُونَ إِلَّا مَنْ أَذِنَ لَهُ ٱلرَّحْمَـٰنُ وَقَالَ صَوَابًۭا ﴿٣٨﴾

Den dag waarop de geest (Gabriël) en de andere engelen in orde geschaard zullen staan, zullen zij niet ten behoeve van zich zelven of van anderen spreken, behalve hij alleen, aan wien de Barmhartige verlof zal geven, en die zeggen zal, wat recht is.

ذَٰلِكَ ٱلْيَوْمُ ٱلْحَقُّ ۖ فَمَن شَآءَ ٱتَّخَذَ إِلَىٰ رَبِّهِۦ مَـَٔابًا ﴿٣٩﴾

Dit is de onvermijdelijke dag. Wie dus wil, laat die tot zijn Heer terugkeeren.

إِنَّآ أَنذَرْنَـٰكُمْ عَذَابًۭا قَرِيبًۭا يَوْمَ يَنظُرُ ٱلْمَرْءُ مَا قَدَّمَتْ يَدَاهُ وَيَقُولُ ٱلْكَافِرُ يَـٰلَيْتَنِى كُنتُ تُرَٰبًۢا ﴿٤٠﴾

Waarlijk, wij bedreigen u met eene straf die nabij ligt. Op den dag waarop de mensch de goede of slechte daden zal aanschouwen, welke zijne handen voor hem uit hebben gezonden, en waarop de on geloovige zal zeggen: God gaf, ik ware stof!

وَٱلنَّـٰزِعَـٰتِ غَرْقًۭا ﴿١﴾

(Ik zweer) bij de engelen, die de zielen van sommigen met geweld uitscheuren.

وَٱلنَّـٰشِطَـٰتِ نَشْطًۭا ﴿٢﴾

En bij hen, die de zielen van anderen met zachtheid verwijderen.

وَٱلسَّـٰبِحَـٰتِ سَبْحًۭا ﴿٣﴾

Bij hen, die al zwemmende, met de bevelen van God (door de lucht) voortglijden;

فَٱلسَّـٰبِقَـٰتِ سَبْقًۭا ﴿٤﴾

Bij hen, die den rechtvaardige naar het paradijs voorafgaan en leiden.

فَٱلْمُدَبِّرَٰتِ أَمْرًۭا ﴿٥﴾

En die als ondergeschikten de zaken van deze wereld leiden.

يَوْمَ تَرْجُفُ ٱلرَّاجِفَةُ ﴿٦﴾

Op een zekeren dag zal de benarrende klank der trompet het heelal verontrusten:

تَتْبَعُهَا ٱلرَّادِفَةُ ﴿٧﴾

En een tweede klank zal daarop volgen.

قُلُوبٌۭ يَوْمَئِذٍۢ وَاجِفَةٌ ﴿٨﴾

Op dien dag zullen de harten der menschen beven;

أَبْصَـٰرُهَا خَـٰشِعَةٌۭ ﴿٩﴾

Zij zullen hunne oogen nederslaan.

يَقُولُونَ أَءِنَّا لَمَرْدُودُونَ فِى ٱلْحَافِرَةِ ﴿١٠﴾

De ongeloovigen zeggen: Zal men ons zekerlijk daarheen doen terugkeeren, van waar wij kwamen?

أَءِذَا كُنَّا عِظَـٰمًۭا نَّخِرَةًۭ ﴿١١﴾

Nadat wij verrotte beenderen zijn geworden, zullen wij dan weder tot het leven worden opgewekt?

قَالُوا۟ تِلْكَ إِذًۭا كَرَّةٌ خَاسِرَةٌۭ ﴿١٢﴾

Zij zeggen: waarlijk deze opstanding is hersenschimming.

فَإِنَّمَا هِىَ زَجْرَةٌۭ وَٰحِدَةٌۭ ﴿١٣﴾

Waarlijk, de trompet zal zich slechts eenmaal doen hooren.

فَإِذَا هُم بِٱلسَّاهِرَةِ ﴿١٤﴾

En ziet, zij zullen levend op de oppervlakte der aarde verschijnen.

هَلْ أَتَىٰكَ حَدِيثُ مُوسَىٰٓ ﴿١٥﴾

Heeft het verhaal van Mozes u niet bereikt.

Pagina 584
Hizb 59
سورة النازعات
Djoez 30 9.8% (55/564)
Hizb 59 19.9% (55/276)

إِذْ نَادَىٰهُ رَبُّهُۥ بِٱلْوَادِ ٱلْمُقَدَّسِ طُوًى ﴿١٦﴾

Toen zijn Heer in de heilige vallei Toewa hem toeriep;

ٱذْهَبْ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ إِنَّهُۥ طَغَىٰ ﴿١٧﴾

Zeggende: Ga tot Pharao; want hij is op eene onbeschaamde wijze zondig.

فَقُلْ هَل لَّكَ إِلَىٰٓ أَن تَزَكَّىٰ ﴿١٨﴾

En zeg: Begeert gij rechtvaardig en heilig te worden?

وَأَهْدِيَكَ إِلَىٰ رَبِّكَ فَتَخْشَىٰ ﴿١٩﴾

Ik wil u tot uwen Heer leiden, opdat gij moogt vreezen te zondigen.

فَأَرَىٰهُ ٱلْـَٔايَةَ ٱلْكُبْرَىٰ ﴿٢٠﴾

En hij toonde hem het zeer groote teeken van den staf, die in eene slang veranderde.

فَكَذَّبَ وَعَصَىٰ ﴿٢١﴾

Maar Pharao beschuldigde Mozes van bedrog, en was weerspannig tegen God.

ثُمَّ أَدْبَرَ يَسْعَىٰ ﴿٢٢﴾

Daarop wendde hij zich haastig af.

فَحَشَرَ فَنَادَىٰ ﴿٢٣﴾

Hij verzamelde de toovenaren, en riep luid:

فَقَالَ أَنَا۠ رَبُّكُمُ ٱلْأَعْلَىٰ ﴿٢٤﴾

Zeggende: Ik ben uw opperste Heer.

فَأَخَذَهُ ٱللَّهُ نَكَالَ ٱلْـَٔاخِرَةِ وَٱلْأُولَىٰٓ ﴿٢٥﴾

Daarom kastijdde God hem met de straf van het volgende leven en met die van het tegenwoordige leven.

إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَعِبْرَةًۭ لِّمَن يَخْشَىٰٓ ﴿٢٦﴾

Waarlijk, hierin is een voorbeeld voor hem, die vreest weerspannig te zijn.

ءَأَنتُمْ أَشَدُّ خَلْقًا أَمِ ٱلسَّمَآءُ ۚ بَنَىٰهَا ﴿٢٧﴾

Is het moeielijker u te scheppen, dan wel den hemel?

رَفَعَ سَمْكَهَا فَسَوَّىٰهَا ﴿٢٨﴾

God heeft dien gebouwd. Hij heeft dien hoog opgevoerd, en heeft dien volmaakt gevormd.

وَأَغْطَشَ لَيْلَهَا وَأَخْرَجَ ضُحَىٰهَا ﴿٢٩﴾

En hij heeft den nacht daarvan duister gemaakt, en heeft zijn licht voortgebracht.

وَٱلْأَرْضَ بَعْدَ ذَٰلِكَ دَحَىٰهَآ ﴿٣٠﴾

Hierna strekte hij de aarde uit.

أَخْرَجَ مِنْهَا مَآءَهَا وَمَرْعَىٰهَا ﴿٣١﴾

Waaruit hij het water en het gras doet voortspruiten.

وَٱلْجِبَالَ أَرْسَىٰهَا ﴿٣٢﴾

En hij richtte de bergen op,

مَتَـٰعًۭا لَّكُمْ وَلِأَنْعَـٰمِكُمْ ﴿٣٣﴾

Voor uw gebruik en voor het gebruik van uw vee.

فَإِذَا جَآءَتِ ٱلطَّآمَّةُ ٱلْكُبْرَىٰ ﴿٣٤﴾

Als de voorname, de groote dag zal komen.

يَوْمَ يَتَذَكَّرُ ٱلْإِنسَـٰنُ مَا سَعَىٰ ﴿٣٥﴾

Op dien dag zal de mensch zich herinneren, wat hij opzettelijk heeft gedaan.

وَبُرِّزَتِ ٱلْجَحِيمُ لِمَن يَرَىٰ ﴿٣٦﴾

En de hel zal aan het oog van den toeschouwer worden vertoond.

فَأَمَّا مَن طَغَىٰ ﴿٣٧﴾

En wie gezondigd zal hebben.

وَءَاثَرَ ٱلْحَيَوٰةَ ٱلدُّنْيَا ﴿٣٨﴾

En dit tegenwoordige leven de voorkeur zal hebben gegeven.

فَإِنَّ ٱلْجَحِيمَ هِىَ ٱلْمَأْوَىٰ ﴿٣٩﴾

Waarlijk, de hel zal zijn verblijf wezen.

وَأَمَّا مَنْ خَافَ مَقَامَ رَبِّهِۦ وَنَهَى ٱلنَّفْسَ عَنِ ٱلْهَوَىٰ ﴿٤٠﴾

Maar hij die de verschijning voor zijn Heer zal hebben gevreesd, en zijne ziel in hare lusten zal hebben bedwongen.

فَإِنَّ ٱلْجَنَّةَ هِىَ ٱلْمَأْوَىٰ ﴿٤١﴾

Waarlijk, het paradijs zal zijne belooning zijn.

يَسْـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلسَّاعَةِ أَيَّانَ مُرْسَىٰهَا ﴿٤٢﴾

Zij zullen u ondervragen nopens het jongste uur, en wanneer de vastbepaalde tijd daarvan zal zijn.

فِيمَ أَنتَ مِن ذِكْرَىٰهَآ ﴿٤٣﴾

Op welke wijze kunt gij eenige inlichting daaromtrent geven?

إِلَىٰ رَبِّكَ مُنتَهَىٰهَآ ﴿٤٤﴾

Aan uw Heer behoort de kennis van het tijdstip daarvan.

إِنَّمَآ أَنتَ مُنذِرُ مَن يَخْشَىٰهَا ﴿٤٥﴾

En gij zijt slechts een waarschuwer, voor hen die het vreezen.

كَأَنَّهُمْ يَوْمَ يَرَوْنَهَا لَمْ يَلْبَثُوٓا۟ إِلَّا عَشِيَّةً أَوْ ضُحَىٰهَا ﴿٤٦﴾

Op den dag waarop zij dit zullen zien, zal het hun toeschijnen, als waren zij niet langer op de aarde gebleven dan een avond of een ochtend van dien dag.

Pagina 585
Hizb 59
سورة عبس
Djoez 30 15.2% (86/564)
Hizb 59 31.2% (86/276)

عَبَسَ وَتَوَلَّىٰٓ ﴿١﴾

De profeet fronst zijn voorhoofd en wendt zich af.

أَن جَآءَهُ ٱلْأَعْمَىٰ ﴿٢﴾

Omdat de blinde man tot hem kwam.

وَمَا يُدْرِيكَ لَعَلَّهُۥ يَزَّكَّىٰٓ ﴿٣﴾

En hoe kunt gij weten of hij niet misschien van zijne zonden gezuiverd zal worden;

أَوْ يَذَّكَّرُ فَتَنفَعَهُ ٱلذِّكْرَىٰٓ ﴿٤﴾

Of dat hij vermaand zal worden, en dat de vermaning van eenig voordeel zal wezen.

أَمَّا مَنِ ٱسْتَغْنَىٰ ﴿٥﴾

Den mensch die rijk is.

فَأَنتَ لَهُۥ تَصَدَّىٰ ﴿٦﴾

Ontvangt gij gij met eerbied;

وَمَا عَلَيْكَ أَلَّا يَزَّكَّىٰ ﴿٧﴾

Terwijl gij er niet van beschuldigd wordt, dat hij niet gezuiverd is.

وَأَمَّا مَن جَآءَكَ يَسْعَىٰ ﴿٨﴾

Maar hij die tot u komt, om zijn heil ernstig te zoeken.

وَهُوَ يَخْشَىٰ ﴿٩﴾

En die God vreest.

فَأَنتَ عَنْهُ تَلَهَّىٰ ﴿١٠﴾

Verwaarloost gij.

كَلَّآ إِنَّهَا تَذْكِرَةٌۭ ﴿١١﴾

Gij moest volstrekt niet zoo handelen. Waarlijk, de Koran is eene vermaning.

فَمَن شَآءَ ذَكَرَهُۥ ﴿١٢﴾

(En hij die daartoe gezind is, onthoudt deze).

فِى صُحُفٍۢ مُّكَرَّمَةٍۢ ﴿١٣﴾

En hij is op geachte bladen geschreven.

مَّرْفُوعَةٍۢ مُّطَهَّرَةٍۭ ﴿١٤﴾

Verheven en zuiver.

بِأَيْدِى سَفَرَةٍۢ ﴿١٥﴾

Met de handen van

كِرَامٍۭ بَرَرَةٍۢ ﴿١٦﴾

Geëerde en rechtvaardige schrijvers.

قُتِلَ ٱلْإِنسَـٰنُ مَآ أَكْفَرَهُۥ ﴿١٧﴾

Gevloekt zij de mensch! Wat heeft hem tot ontrouw verleid?

مِنْ أَىِّ شَىْءٍ خَلَقَهُۥ ﴿١٨﴾

Van wat schiep God hem?

مِن نُّطْفَةٍ خَلَقَهُۥ فَقَدَّرَهُۥ ﴿١٩﴾

Van een droppel zaad schiep hij hem; En hij vormde hem met evenredigheid.

ثُمَّ ٱلسَّبِيلَ يَسَّرَهُۥ ﴿٢٠﴾

Daarna vergemakkelijkte hij zijn uitgang uit den schoot der moeder.

ثُمَّ أَمَاتَهُۥ فَأَقْبَرَهُۥ ﴿٢١﴾

Daarna deed hij hem sterven, en legde hem in het graf.

ثُمَّ إِذَا شَآءَ أَنشَرَهُۥ ﴿٢٢﴾

Hierna, als het hem zal behagen, zal hij hem tot het leven opwekken.

كَلَّا لَمَّا يَقْضِ مَآ أَمَرَهُۥ ﴿٢٣﴾

Waarlijk, hij heeft tot hiertoe niet volkomen vervuld wat God hem heeft bevolen.

فَلْيَنظُرِ ٱلْإِنسَـٰنُ إِلَىٰ طَعَامِهِۦٓ ﴿٢٤﴾

Laat den mensch zijn voedsel beschouwen (en op welke wijze het wordt voortgebracht).

أَنَّا صَبَبْنَا ٱلْمَآءَ صَبًّۭا ﴿٢٥﴾

Wij doen het water door regenbuien nederstorten;

ثُمَّ شَقَقْنَا ٱلْأَرْضَ شَقًّۭا ﴿٢٦﴾

Daarna splijten wij de aarde met spleten.

فَأَنۢبَتْنَا فِيهَا حَبًّۭا ﴿٢٧﴾

En wij doen het koren daaruit voortspruiten.

وَعِنَبًۭا وَقَضْبًۭا ﴿٢٨﴾

Den wijngaard en het klaverblad;

وَزَيْتُونًۭا وَنَخْلًۭا ﴿٢٩﴾

Den olijfboom en den palmboom.

وَحَدَآئِقَ غُلْبًۭا ﴿٣٠﴾

En tuinen dicht met boomen beplant.

وَفَـٰكِهَةًۭ وَأَبًّۭا ﴿٣١﴾

En vruchten en gras.

مَّتَـٰعًۭا لَّكُمْ وَلِأَنْعَـٰمِكُمْ ﴿٣٢﴾

Voor het gebruik van u zelven en van uw vee.

فَإِذَا جَآءَتِ ٱلصَّآخَّةُ ﴿٣٣﴾

Als de verdoovende klank van de trompet zal gehoord worden.

يَوْمَ يَفِرُّ ٱلْمَرْءُ مِنْ أَخِيهِ ﴿٣٤﴾

Op dien dag zal de mensch van zijn broeder vluchten.

وَأُمِّهِۦ وَأَبِيهِ ﴿٣٥﴾

Van zijne moeder en zijn vader.

وَصَـٰحِبَتِهِۦ وَبَنِيهِ ﴿٣٦﴾

Van zijn vrouw en zijne kinderen.

لِكُلِّ ٱمْرِئٍۢ مِّنْهُمْ يَوْمَئِذٍۢ شَأْنٌۭ يُغْنِيهِ ﴿٣٧﴾

Ieder mensch zal op dien dag genoeg stof voor zich zelven hebben, om zijne gedachten bezig te houden.

وُجُوهٌۭ يَوْمَئِذٍۢ مُّسْفِرَةٌۭ ﴿٣٨﴾

Op dien dag zullen de aangezichten van sommigen schitteren.

ضَاحِكَةٌۭ مُّسْتَبْشِرَةٌۭ ﴿٣٩﴾

Lachend en vroolijk zijn.

وَوُجُوهٌۭ يَوْمَئِذٍ عَلَيْهَا غَبَرَةٌۭ ﴿٤٠﴾

En op de aangezichten van anderen zal, op dien dag, stof liggen;

تَرْهَقُهَا قَتَرَةٌ ﴿٤١﴾

Duisternis zal hen bedekken;

أُو۟لَـٰٓئِكَ هُمُ ٱلْكَفَرَةُ ٱلْفَجَرَةُ ﴿٤٢﴾

Dit zijn de ongeloovigen, de zondaars.

Pagina 586
Hizb 59
سورة التكوير
Djoez 30 22.7% (128/564)
Hizb 59 46.4% (128/276)

إِذَا ٱلشَّمْسُ كُوِّرَتْ ﴿١﴾

Als de zon zal opgevouwen worden.

وَإِذَا ٱلنُّجُومُ ٱنكَدَرَتْ ﴿٢﴾

Als de sterren zullen vallen.

وَإِذَا ٱلْجِبَالُ سُيِّرَتْ ﴿٣﴾

Als de bergen in beweging gebracht zullen worden.

وَإِذَا ٱلْعِشَارُ عُطِّلَتْ ﴿٤﴾

Als de kameelen hunne wijfjes zullen verlaten.

وَإِذَا ٱلْوُحُوشُ حُشِرَتْ ﴿٥﴾

Als de wilde dieren bijeen verzameld zullen worden.

وَإِذَا ٱلْبِحَارُ سُجِّرَتْ ﴿٦﴾

En als de zeeën zullen koken.

وَإِذَا ٱلنُّفُوسُ زُوِّجَتْ ﴿٧﴾

Als de zielen weder met hare lichamen zullen vereenigd worden.

وَإِذَا ٱلْمَوْءُۥدَةُ سُئِلَتْ ﴿٨﴾

Als aan het meisje, dat levend wordt begraven, zal gevraagd worden.

بِأَىِّ ذَنۢبٍۢ قُتِلَتْ ﴿٩﴾

Voor welke misdaad zij ter dood gebracht werd;

وَإِذَا ٱلصُّحُفُ نُشِرَتْ ﴿١٠﴾

Als de boeken opengelegd zullen worden.

وَإِذَا ٱلسَّمَآءُ كُشِطَتْ ﴿١١﴾

En als de hemelen ter zijde gebracht zullen worden.

وَإِذَا ٱلْجَحِيمُ سُعِّرَتْ ﴿١٢﴾

Als de hel met gedruis zal branden.

وَإِذَا ٱلْجَنَّةُ أُزْلِفَتْ ﴿١٣﴾

En als het paradijs naderbij gebracht zal worden.

عَلِمَتْ نَفْسٌۭ مَّآ أَحْضَرَتْ ﴿١٤﴾

Dan zal elke ziel weten, wat zij verricht heeft.

فَلَآ أُقْسِمُ بِٱلْخُنَّسِ ﴿١٥﴾

Waarlijk, ik zweer bij de teruggaande sterren.

ٱلْجَوَارِ ٱلْكُنَّسِ ﴿١٦﴾

Die zich snel bewegen en zich verbergen,

وَٱلَّيْلِ إِذَا عَسْعَسَ ﴿١٧﴾

En bij den nacht als die invalt.

وَٱلصُّبْحِ إِذَا تَنَفَّسَ ﴿١٨﴾

En bij den morgen als die verschijnt.

إِنَّهُۥ لَقَوْلُ رَسُولٍۢ كَرِيمٍۢ ﴿١٩﴾

Dat dit de woorden van den eerbiedwaardigen gezant zijn,

ذِى قُوَّةٍ عِندَ ذِى ٱلْعَرْشِ مَكِينٍۢ ﴿٢٠﴾

Begaafd met kracht, en met waardigheid in het aangezicht van den bezitter van den troon,

مُّطَاعٍۢ ثَمَّ أَمِينٍۢ ﴿٢١﴾

Gehoorzaamd door de engelen, die onder zijn bevel staan en gelooven.

وَمَا صَاحِبُكُم بِمَجْنُونٍۢ ﴿٢٢﴾

Uw makker Mahomet is niet bezeten.

وَلَقَدْ رَءَاهُ بِٱلْأُفُقِ ٱلْمُبِينِ ﴿٢٣﴾

Hij heeft hem reeds aan den helderen gezichteinder gezien.

وَمَا هُوَ عَلَى ٱلْغَيْبِ بِضَنِينٍۢ ﴿٢٤﴾

En hij verdenkt de geheimen niet, die hem werden geopenbaard.

وَمَا هُوَ بِقَوْلِ شَيْطَـٰنٍۢ رَّجِيمٍۢ ﴿٢٥﴾

Dit zijn niet de woorden van een gesteenigden duivel.

فَأَيْنَ تَذْهَبُونَ ﴿٢٦﴾

Waar gaat (dwaalt) gij dus heen?

إِنْ هُوَ إِلَّا ذِكْرٌۭ لِّلْعَـٰلَمِينَ ﴿٢٧﴾

De Koran is eene vermaning voor alle schepselen,

لِمَن شَآءَ مِنكُمْ أَن يَسْتَقِيمَ ﴿٢٨﴾

Voor dengene uwer, die geneigd is oprecht te wandelen.

وَمَا تَشَآءُونَ إِلَّآ أَن يَشَآءَ ٱللَّهُ رَبُّ ٱلْعَـٰلَمِينَ ﴿٢٩﴾

Maar gij zult niet willen, tenzij God wil, de Heer van alle schepselen.

Pagina 587
Hizb 59
سورة الإنفطار
Djoez 30 27.8% (157/564)
Hizb 59 56.9% (157/276)

إِذَا ٱلسَّمَآءُ ٱنفَطَرَتْ ﴿١﴾

Als de hemel gespleten zal worden,

وَإِذَا ٱلْكَوَاكِبُ ٱنتَثَرَتْ ﴿٢﴾

Als de sterren verspreid zullen worden,

وَإِذَا ٱلْبِحَارُ فُجِّرَتْ ﴿٣﴾

Als de zeeën hare wateren zullen vermengen,

وَإِذَا ٱلْقُبُورُ بُعْثِرَتْ ﴿٤﴾

En als de graven ten onderstboven zullen gekeerd worden,

عَلِمَتْ نَفْسٌۭ مَّا قَدَّمَتْ وَأَخَّرَتْ ﴿٥﴾

Dan zal iederen ziel kennen, wat zij heeft misdreven.

يَـٰٓأَيُّهَا ٱلْإِنسَـٰنُ مَا غَرَّكَ بِرَبِّكَ ٱلْكَرِيمِ ﴿٦﴾

O mensch! wat heeft u omtrent uwen barmhartigen Heer verleid,

ٱلَّذِى خَلَقَكَ فَسَوَّىٰكَ فَعَدَلَكَ ﴿٧﴾

Die u geschapen en verzameld heeft, en u op den rechten weg leidde,

فِىٓ أَىِّ صُورَةٍۢ مَّا شَآءَ رَكَّبَكَ ﴿٨﴾

Die u heeft gevormd in den vorm welke hem behaagde?

كَلَّا بَلْ تُكَذِّبُونَ بِٱلدِّينِ ﴿٩﴾

Waarlijk, doch gij loochent het laatste oordeel als eene valschheid.

وَإِنَّ عَلَيْكُمْ لَحَـٰفِظِينَ ﴿١٠﴾

Waarlijk er zijn wachtengelen over u aangesteld.

كِرَامًۭا كَـٰتِبِينَ ﴿١١﴾

Eerbiedwaardig in het oog van God; die uwe daden nederschrijven;

يَعْلَمُونَ مَا تَفْعَلُونَ ﴿١٢﴾

Die weten wat gij doet.

إِنَّ ٱلْأَبْرَارَ لَفِى نَعِيمٍۢ ﴿١٣﴾

De rechtvaardigen zullen zekerlijk op eene plaats des genots zijn;

وَإِنَّ ٱلْفُجَّارَ لَفِى جَحِيمٍۢ ﴿١٤﴾

Maar de zondaren zullen zekerlijk in de hel wezen.

يَصْلَوْنَهَا يَوْمَ ٱلدِّينِ ﴿١٥﴾

Zij zullen daarin worden geworpen, om op den dag des oordeels verbrand te worden,

وَمَا هُمْ عَنْهَا بِغَآئِبِينَ ﴿١٦﴾

Zij zullen zich daaraan nimmer kunnen onttrekken.

وَمَآ أَدْرَىٰكَ مَا يَوْمُ ٱلدِّينِ ﴿١٧﴾

Wat zal u doen begrijpen wat de dag des oordeels is?

ثُمَّ مَآ أَدْرَىٰكَ مَا يَوْمُ ٱلدِّينِ ﴿١٨﴾

Nogmaals; wat zal u doen begrijpen wat de dag des oordeels is?

يَوْمَ لَا تَمْلِكُ نَفْسٌۭ لِّنَفْسٍۢ شَيْـًۭٔا ۖ وَٱلْأَمْرُ يَوْمَئِذٍۢ لِّلَّهِ ﴿١٩﴾

Het is de dag waarop de eene ziel niet in staat zal wezen, iets ten behoeve eener andere te verkrijgen. Het bevel zal op dien dag aan God toebehooren.

وَيْلٌۭ لِّلْمُطَفِّفِينَ ﴿١﴾

Wee over hen, die de maat of het gewicht vervalschen!

ٱلَّذِينَ إِذَا ٱكْتَالُوا۟ عَلَى ٱلنَّاسِ يَسْتَوْفُونَ ﴿٢﴾

Die, als zij van anderen koopen eene volle maat verlangen,

وَإِذَا كَالُوهُمْ أَو وَّزَنُوهُمْ يُخْسِرُونَ ﴿٣﴾

Maar die bedriegen als zij voor anderen meten of wegen.

أَلَا يَظُنُّ أُو۟لَـٰٓئِكَ أَنَّهُم مَّبْعُوثُونَ ﴿٤﴾

Weten zij niet, dat zij eens zullen worden opgewekt

لِيَوْمٍ عَظِيمٍۢ ﴿٥﴾

Op den grooten dag;

يَوْمَ يَقُومُ ٱلنَّاسُ لِرَبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ ﴿٦﴾

Den dag waarop de mensch voor den Heer van alle schepselen zal staan? Volstrekt niet.

Pagina 588
Hizb 59
سورة المطففين
Djoez 30 32.3% (182/564)
Hizb 59 65.9% (182/276)

كَلَّآ إِنَّ كِتَـٰبَ ٱلْفُجَّارِ لَفِى سِجِّينٍۢ ﴿٧﴾

Waarlijk, het register van de zondaren is zekerlijk in Sidjîn.

وَمَآ أَدْرَىٰكَ مَا سِجِّينٌۭ ﴿٨﴾

En wat zal u doen begrijpen, wat Sidjîn is?

كِتَـٰبٌۭ مَّرْقُومٌۭ ﴿٩﴾

Het is een duidelijk geschreven boek.

وَيْلٌۭ يَوْمَئِذٍۢ لِّلْمُكَذِّبِينَ ﴿١٠﴾

Wee op dien dag over hen, die de profeten van bedrog hebben beschuldigd.

ٱلَّذِينَ يُكَذِّبُونَ بِيَوْمِ ٱلدِّينِ ﴿١١﴾

Die den dag des oordeels als een valschheid loochenen!

وَمَا يُكَذِّبُ بِهِۦٓ إِلَّا كُلُّ مُعْتَدٍ أَثِيمٍ ﴿١٢﴾

Niemand loochent dien als eene valschheid, behalve de zondaar en de schuldige;

إِذَا تُتْلَىٰ عَلَيْهِ ءَايَـٰتُنَا قَالَ أَسَـٰطِيرُ ٱلْأَوَّلِينَ ﴿١٣﴾

Die, als hun onze teekenen worden herinnerd, zeggen: Dit zijn fabelen van de ouden.

كَلَّا ۖ بَلْ ۜ رَانَ عَلَىٰ قُلُوبِهِم مَّا كَانُوا۟ يَكْسِبُونَ ﴿١٤﴾

Volstrekt niet.--Maar hunne lusten hebben veeleer een sluier over hunne harten geworpen.

كَلَّآ إِنَّهُمْ عَن رَّبِّهِمْ يَوْمَئِذٍۢ لَّمَحْجُوبُونَ ﴿١٥﴾

Volstrekt niet. Dien dag zullen zij van hunnen Heer zijn uitgesloten;

ثُمَّ إِنَّهُمْ لَصَالُوا۟ ٱلْجَحِيمِ ﴿١٦﴾

En zij zullen in de hel worden gezonden, om verbrand te worden.

ثُمَّ يُقَالُ هَـٰذَا ٱلَّذِى كُنتُم بِهِۦ تُكَذِّبُونَ ﴿١٧﴾

Dan zullen de wachters der hel tot hen zeggen: Dit is, wat gij als een valschheid hebt geloochend.

كَلَّآ إِنَّ كِتَـٰبَ ٱلْأَبْرَارِ لَفِى عِلِّيِّينَ ﴿١٨﴾

Waarlijk, het register van de daden der rechtvaardigen is Illioen.

وَمَآ أَدْرَىٰكَ مَا عِلِّيُّونَ ﴿١٩﴾

En wat zal u doen begrijpen wat Illioen is.

كِتَـٰبٌۭ مَّرْقُومٌۭ ﴿٢٠﴾

Het is een duidelijk geschreven boek.

يَشْهَدُهُ ٱلْمُقَرَّبُونَ ﴿٢١﴾

Zij, die God naderen zijn getuigen daarvan.

إِنَّ ٱلْأَبْرَارَ لَفِى نَعِيمٍ ﴿٢٢﴾

Waarlijk, de rechtvaardigen zullen te midden van genoegens wonen.

عَلَى ٱلْأَرَآئِكِ يَنظُرُونَ ﴿٢٣﴾

Op zetels (uitgestrekt), zullen zij voorwerpen van genoegens aanschouwen.

تَعْرِفُ فِى وُجُوهِهِمْ نَضْرَةَ ٱلنَّعِيمِ ﴿٢٤﴾

Gij zult den glans der vreugde op hunne aangezichten zien.

يُسْقَوْنَ مِن رَّحِيقٍۢ مَّخْتُومٍ ﴿٢٥﴾

Men zal hun zuiveren (keurigen) wijn te drinken geven, die gezegeld zal zijn.

خِتَـٰمُهُۥ مِسْكٌۭ ۚ وَفِى ذَٰلِكَ فَلْيَتَنَافَسِ ٱلْمُتَنَـٰفِسُونَ ﴿٢٦﴾

Het zegel zal van muskus wezen. Laat dus hen die trachten deze gelukzaligheid te verkrijgen, streven haar te verdienen.

وَمِزَاجُهُۥ مِن تَسْنِيمٍ ﴿٢٧﴾

En het daarmede gemengde water zal van Tasnim zijn;

عَيْنًۭا يَشْرَبُ بِهَا ٱلْمُقَرَّبُونَ ﴿٢٨﴾

Eene fontein waarvan degenen zullen drinken, die de goddelijke tegenwoordigheid nabij komen.

إِنَّ ٱلَّذِينَ أَجْرَمُوا۟ كَانُوا۟ مِنَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ يَضْحَكُونَ ﴿٢٩﴾

Zij die zondig handelen, bespotten de ware geloovigen.

وَإِذَا مَرُّوا۟ بِهِمْ يَتَغَامَزُونَ ﴿٣٠﴾

Als zij hen voorbij gaan, wenken zij elkander toe.

وَإِذَا ٱنقَلَبُوٓا۟ إِلَىٰٓ أَهْلِهِمُ ٱنقَلَبُوا۟ فَكِهِينَ ﴿٣١﴾

En als zij tot hun volk wederkeeren, komen zij terug, terwijl zij spottende gebaren maken.

وَإِذَا رَأَوْهُمْ قَالُوٓا۟ إِنَّ هَـٰٓؤُلَآءِ لَضَآلُّونَ ﴿٣٢﴾

En als zij hen zien, zeggen zij: Waarlijk, deze zijn verdoolde menschen.

وَمَآ أُرْسِلُوا۟ عَلَيْهِمْ حَـٰفِظِينَ ﴿٣٣﴾

Maar zij zijn niet gezonden om over hen te waken,

فَٱلْيَوْمَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ مِنَ ٱلْكُفَّارِ يَضْحَكُونَ ﴿٣٤﴾

Daarom zullen ware geloovigen eens de ongeloovigen bespotten;

Pagina 589
Hizb 59
سورة المطففين
Djoez 30 37.2% (210/564)
Hizb 59 76.1% (210/276)

عَلَى ٱلْأَرَآئِكِ يَنظُرُونَ ﴿٣٥﴾

Op zetels liggende, zullen zij op hen in de hel nederzien.

هَلْ ثُوِّبَ ٱلْكُفَّارُ مَا كَانُوا۟ يَفْعَلُونَ ﴿٣٦﴾

Zal den ongeloovigen niet vergolden worden hetgeen zij hebben gedaan?

إِذَا ٱلسَّمَآءُ ٱنشَقَّتْ ﴿١﴾

Als de hemel zal gespleten worden.

وَأَذِنَتْ لِرَبِّهَا وَحُقَّتْ ﴿٢﴾

Als hij zijn Heer gehoorzamen, en diens bevelen uitvoeren zal:

وَإِذَا ٱلْأَرْضُ مُدَّتْ ﴿٣﴾

Als de aarde zal worden uitgestrekt,

وَأَلْقَتْ مَا فِيهَا وَتَخَلَّتْ ﴿٤﴾

En datgene, wat er in is, uitgeworpen zal worden, en zij ledig zal overblijven.

وَأَذِنَتْ لِرَبِّهَا وَحُقَّتْ ﴿٥﴾

Als zij haren Heer gehoorzamen, en diens bevelen uitvoeren zal.

يَـٰٓأَيُّهَا ٱلْإِنسَـٰنُ إِنَّكَ كَادِحٌ إِلَىٰ رَبِّكَ كَدْحًۭا فَمُلَـٰقِيهِ ﴿٦﴾

O mensch! indien gij oprecht arbeidt, arbeidt gij om uwen Heer te zien, en gij zult hem aanschouwen.

فَأَمَّا مَنْ أُوتِىَ كِتَـٰبَهُۥ بِيَمِينِهِۦ ﴿٧﴾

En degeen, wien hij zijn boek in de rechterhand zal hebben gegeven.

فَسَوْفَ يُحَاسَبُ حِسَابًۭا يَسِيرًۭا ﴿٨﴾

Zal zachtmoedig behandeld worden,

وَيَنقَلِبُ إِلَىٰٓ أَهْلِهِۦ مَسْرُورًۭا ﴿٩﴾

En zal tot zijn gezin met vreugde terugkeeren.

وَأَمَّا مَنْ أُوتِىَ كِتَـٰبَهُۥ وَرَآءَ ظَهْرِهِۦ ﴿١٠﴾

Maar hij wien men het boek zijner werken achter den rug zal geven,

فَسَوْفَ يَدْعُوا۟ ثُبُورًۭا ﴿١١﴾

Zal de vernietiging over zich roepen;

وَيَصْلَىٰ سَعِيرًا ﴿١٢﴾

Doch hij zal in de hel gezonden worden om verbrand te worden,

إِنَّهُۥ كَانَ فِىٓ أَهْلِهِۦ مَسْرُورًا ﴿١٣﴾

Omdat hij op aarde onbeschaamd te midden van zijn gezin zijne genoegens naleefde;

إِنَّهُۥ ظَنَّ أَن لَّن يَحُورَ ﴿١٤﴾

Waarlijk, hij dacht, dat hij nimmer tot God zou terugkeeren.

بَلَىٰٓ إِنَّ رَبَّهُۥ كَانَ بِهِۦ بَصِيرًۭا ﴿١٥﴾

Ja, waarlijk, God zag alles,

فَلَآ أُقْسِمُ بِٱلشَّفَقِ ﴿١٦﴾

Daarom zweer ik bij de roode kleur van den schijn van den zonsondergang.

وَٱلَّيْلِ وَمَا وَسَقَ ﴿١٧﴾

En bij den nacht, en de dieren, welke hij doet verzamelen.

وَٱلْقَمَرِ إِذَا ٱتَّسَقَ ﴿١٨﴾

En bij de maan, als die vol is.

لَتَرْكَبُنَّ طَبَقًا عَن طَبَقٍۢ ﴿١٩﴾

Gij zult zeker van graad tot graad overgaan.

فَمَا لَهُمْ لَا يُؤْمِنُونَ ﴿٢٠﴾

Wat scheelt hun dus, dat zij niet in de opstanding gelooven?

وَإِذَا قُرِئَ عَلَيْهِمُ ٱلْقُرْءَانُ لَا يَسْجُدُونَ ۩ ﴿٢١﴾

En dat zij niet aanbidden, als hun de Koran wordt voorgelezen?

بَلِ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ يُكَذِّبُونَ ﴿٢٢﴾

Ja, de ongeloovigen beschuldigen dien van bedrog,

وَٱللَّهُ أَعْلَمُ بِمَا يُوعُونَ ﴿٢٣﴾

Maar God kent de kwaadwilligheid wel, die zij in hunne borsten verborgen houden.

فَبَشِّرْهُم بِعَذَابٍ أَلِيمٍ ﴿٢٤﴾

Kondig hun dus eene vreeselijke straf aan.

إِلَّا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّـٰلِحَـٰتِ لَهُمْ أَجْرٌ غَيْرُ مَمْنُونٍۭ ﴿٢٥﴾

Behalve aan hen, die gelooven en goede werken doen; want voor hen is eene nimmer missende belooning gereed gemaakt.

Pagina 590
Hizb 59
سورة البروج
Djoez 30 42.0% (237/564)
Hizb 59 85.9% (237/276)

وَٱلسَّمَآءِ ذَاتِ ٱلْبُرُوجِ ﴿١﴾

Ik zweer bij den hemel met teekenen versierd.

وَٱلْيَوْمِ ٱلْمَوْعُودِ ﴿٢﴾

Bij den beloofden dag des oordeels.

وَشَاهِدٍۢ وَمَشْهُودٍۢ ﴿٣﴾

Bij den getuige en de getuigenis

قُتِلَ أَصْحَـٰبُ ٱلْأُخْدُودِ ﴿٤﴾

Gevloekt zijn de meesters van den kuil.

ٱلنَّارِ ذَاتِ ٱلْوَقُودِ ﴿٥﴾

Met vuur waar onophoudelijk wordt bijgevoegd.

إِذْ هُمْ عَلَيْهَا قُعُودٌۭ ﴿٦﴾

Toen zij daar in de rondte zaten.

وَهُمْ عَلَىٰ مَا يَفْعَلُونَ بِٱلْمُؤْمِنِينَ شُهُودٌۭ ﴿٧﴾

En getuigen waren van hetgeen zij tegen de ware geloovigen deden.

وَمَا نَقَمُوا۟ مِنْهُمْ إِلَّآ أَن يُؤْمِنُوا۟ بِٱللَّهِ ٱلْعَزِيزِ ٱلْحَمِيدِ ﴿٨﴾

En zij bedroefden hen om geene andere reden, dan omdat zij in den machtigen, den glorierijken God geloofden.

ٱلَّذِى لَهُۥ مُلْكُ ٱلسَّمَـٰوَٰتِ وَٱلْأَرْضِ ۚ وَٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَىْءٍۢ شَهِيدٌ ﴿٩﴾

Aan wien het koninkrijk van hemel en aarde behoort, en die getuige van alle dingen is.

إِنَّ ٱلَّذِينَ فَتَنُوا۟ ٱلْمُؤْمِنِينَ وَٱلْمُؤْمِنَـٰتِ ثُمَّ لَمْ يَتُوبُوا۟ فَلَهُمْ عَذَابُ جَهَنَّمَ وَلَهُمْ عَذَابُ ٱلْحَرِيقِ ﴿١٠﴾

Waarlijk, voor hen, die de ware geloovigen van beiderlei kunne vervolgen, en daarna geen berouw betoonen, is de marteling der hel gereed gemaakt, en zij zullen de pijn der verbranding ondergaan.

إِنَّ ٱلَّذِينَ ءَامَنُوا۟ وَعَمِلُوا۟ ٱلصَّـٰلِحَـٰتِ لَهُمْ جَنَّـٰتٌۭ تَجْرِى مِن تَحْتِهَا ٱلْأَنْهَـٰرُ ۚ ذَٰلِكَ ٱلْفَوْزُ ٱلْكَبِيرُ ﴿١١﴾

Maar voor hen die gelooven, en datgene doen wat recht is, zijn tuinen bestemd, door welke rivieren stroomen. Dat zal een groote gelukzaligheid wezen.

إِنَّ بَطْشَ رَبِّكَ لَشَدِيدٌ ﴿١٢﴾

Waarlijk, de wraak van uwen Heer is gestreng.

إِنَّهُۥ هُوَ يُبْدِئُ وَيُعِيدُ ﴿١٣﴾

Hij schept en brengt (tot het leven) terug.

وَهُوَ ٱلْغَفُورُ ٱلْوَدُودُ ﴿١٤﴾

Hij is vergevensgezind en barmhartig;

ذُو ٱلْعَرْشِ ٱلْمَجِيدُ ﴿١٥﴾

De bezitter van den glansrijken troon;

فَعَّالٌۭ لِّمَا يُرِيدُ ﴿١٦﴾

Die datgene doet wat hem behaagt.

هَلْ أَتَىٰكَ حَدِيثُ ٱلْجُنُودِ ﴿١٧﴾

Kent gij het verhaal niet van de heirscharen.

فِرْعَوْنَ وَثَمُودَ ﴿١٨﴾

Van Pharao en van Thamoed?

بَلِ ٱلَّذِينَ كَفَرُوا۟ فِى تَكْذِيبٍۢ ﴿١٩﴾

Nochtans houden de ongeloovigen niet op, de goddelijke openbaringen van valschheid te beschuldigen.

وَٱللَّهُ مِن وَرَآئِهِم مُّحِيطٌۢ ﴿٢٠﴾

Maar God overvalt hen van achteren, en omsingelt hen, (zoodat zij niet kunnen ontvluchten).

بَلْ هُوَ قُرْءَانٌۭ مَّجِيدٌۭ ﴿٢١﴾

Waarlijk, datgene, wat gij verwerpt is een glansrijke Koran.

فِى لَوْحٍۢ مَّحْفُوظٍۭ ﴿٢٢﴾

Waarvan het oorspronkelijke op een tafel is geschreven, die in den hemel wordt bewaard.

Pagina 591
Hizb 59
سورة الطارق
Djoez 30 45.9% (259/564)
Hizb 59 93.8% (259/276)

وَٱلسَّمَآءِ وَٱلطَّارِقِ ﴿١﴾

Ik zweer bij den hemel en bij de ster, die des nachts verschijnt.

وَمَآ أَدْرَىٰكَ مَا ٱلطَّارِقُ ﴿٢﴾

Maar wat zal u datgene doen verstaan, wat bij nacht verschijnt?

ٱلنَّجْمُ ٱلثَّاقِبُ ﴿٣﴾

Het is de ster, die glansrijke stralen schiet.

إِن كُلُّ نَفْسٍۢ لَّمَّا عَلَيْهَا حَافِظٌۭ ﴿٤﴾

Iedere ziel heeft een wachter, die over hem is aangesteld.

فَلْيَنظُرِ ٱلْإِنسَـٰنُ مِمَّ خُلِقَ ﴿٥﴾

Laat de mensch dus overwegen van wat hij is geschapen.

خُلِقَ مِن مَّآءٍۢ دَافِقٍۢ ﴿٦﴾

Hij is geschapen van een droppel zaad.

يَخْرُجُ مِنۢ بَيْنِ ٱلصُّلْبِ وَٱلتَّرَآئِبِ ﴿٧﴾

Uit de lendenen en de borstbeenderen voortkomende.

إِنَّهُۥ عَلَىٰ رَجْعِهِۦ لَقَادِرٌۭ ﴿٨﴾

Waarlijk, God is in staat hem in het leven terug te roepen.

يَوْمَ تُبْلَى ٱلسَّرَآئِرُ ﴿٩﴾

Op den dag waarop alle verborgen denkbeelden en daden zullen worden onderzocht.

فَمَا لَهُۥ مِن قُوَّةٍۢ وَلَا نَاصِرٍۢ ﴿١٠﴾

En hij zal de macht om zich te verdedigen, noch eenigen beschermer hebben.

وَٱلسَّمَآءِ ذَاتِ ٱلرَّجْعِ ﴿١١﴾

Bij den hemel, die (regen) nedergiet.

وَٱلْأَرْضِ ذَاتِ ٱلصَّدْعِ ﴿١٢﴾

En bij de aarde, die zich opent om planten en bronnen te doen voortspruiten.

إِنَّهُۥ لَقَوْلٌۭ فَصْلٌۭ ﴿١٣﴾

Waarlijk, dit is een gesprek ter onderscheiding (tusschen het goede en het kwade);

وَمَا هُوَ بِٱلْهَزْلِ ﴿١٤﴾

Het is niet lichtvaardig samengesteld.

إِنَّهُمْ يَكِيدُونَ كَيْدًۭا ﴿١٥﴾

Waarlijk, de ongeloovigen spannen samen (om mijne plannen te verijdelen);

وَأَكِيدُ كَيْدًۭا ﴿١٦﴾

Maar ik zal samenspannen om hen te vernietigen.

فَمَهِّلِ ٱلْكَـٰفِرِينَ أَمْهِلْهُمْ رُوَيْدًۢا ﴿١٧﴾

Daarom, o profeet! wees geduldig met de ongeloovigen, en laat hen korten tijd met vrede.

بسم الله الرحمن الرحيم vr 24 Moeharram
الجمعة 24 محرّم
هلال متناقص Afnemende Maan Dag 25.1 / 29.5
Verlichting 21%
Nieuwe maan over 4 dagen
أستغفر الله Ik vraag Allah om vergeving