Ruku 462 komt uit soera An-Najm (verzen 33 tot 62). Hij bevat 30 verzen en behoort tot Djoez 27.
Bijgewerkt op 05 augustus 2026 om 16h34
Lees de volledige pagina : Ruku 462 van de Koran lezen →
أَفَرَءَيْتَ ٱلَّذِى تَوَلَّىٰ ﴿٣٣﴾
Wat denkt gij van hem, die zich van den weg der waarheid afwendt.
وَأَعْطَىٰ قَلِيلًۭا وَأَكْدَىٰٓ ﴿٣٤﴾
En weinig geeft en begeerlijk zijne hand ophoudt?
أَعِندَهُۥ عِلْمُ ٱلْغَيْبِ فَهُوَ يَرَىٰٓ ﴿٣٥﴾
Is de kennis der toekomst met hem, zoodra hij die ziet?
أَمْ لَمْ يُنَبَّأْ بِمَا فِى صُحُفِ مُوسَىٰ ﴿٣٦﴾
Is hij niet onderricht van datgene, wat in de boeken van Mozes is bevat.
وَإِبْرَٰهِيمَ ٱلَّذِى وَفَّىٰٓ ﴿٣٧﴾
En van Abraham, die zijn verbintenissen godvruchtig volbracht?
أَلَّا تَزِرُ وَازِرَةٌۭ وِزْرَ أُخْرَىٰ ﴿٣٨﴾
Te weten: dat eene belaste ziel niet den last van eene andere zal dragen.
وَأَن لَّيْسَ لِلْإِنسَـٰنِ إِلَّا مَا سَعَىٰ ﴿٣٩﴾
En dat den mensch, die rechtvaardig is, niets zal worden opgelegd, behalve zijn eigen arbeid.
وَأَنَّ سَعْيَهُۥ سَوْفَ يُرَىٰ ﴿٤٠﴾
Dat zijn arbeid hiernamaals zekerlijk naar waarde zal worden geschat.
ثُمَّ يُجْزَىٰهُ ٱلْجَزَآءَ ٱلْأَوْفَىٰ ﴿٤١﴾
En dat hij daarvoor met de meest overvloedige belooning zal worden beschonken.
وَأَنَّ إِلَىٰ رَبِّكَ ٱلْمُنتَهَىٰ ﴿٤٢﴾
Dat het einde van alle dingen bij den Heer zal wezen.
وَأَنَّهُۥ هُوَ أَضْحَكَ وَأَبْكَىٰ ﴿٤٣﴾
Dat hij doet lachen en doet weenen.
وَأَنَّهُۥ هُوَ أَمَاتَ وَأَحْيَا ﴿٤٤﴾
Dat hij dood en leven geeft.
وَأَنَّهُۥ خَلَقَ ٱلزَّوْجَيْنِ ٱلذَّكَرَ وَٱلْأُنثَىٰ ﴿٤٥﴾
Dat hij de beide kunnen: de mannelijke en de vrouwelijke, schiep.
مِن نُّطْفَةٍ إِذَا تُمْنَىٰ ﴿٤٦﴾
Van zaad als het uitgeworpen is.
وَأَنَّ عَلَيْهِ ٱلنَّشْأَةَ ٱلْأُخْرَىٰ ﴿٤٧﴾
Dat hem eene andere voortbrenging behoort, namelijk de wederopwekking hiernamaals, van den dood ten leven.
وَأَنَّهُۥ هُوَ أَغْنَىٰ وَأَقْنَىٰ ﴿٤٨﴾
En dat hij verrijkt, en bezittingen doet verkrijgen.
وَأَنَّهُۥ هُوَ رَبُّ ٱلشِّعْرَىٰ ﴿٤٩﴾
Dat hij den Heer van het hondsgesternte is.
وَأَنَّهُۥٓ أَهْلَكَ عَادًا ٱلْأُولَىٰ ﴿٥٠﴾
Dat hij den ouden stam van Ad verwoestte.
وَثَمُودَا۟ فَمَآ أَبْقَىٰ ﴿٥١﴾
En Thamoed; en niet een van hen liet leven.
وَقَوْمَ نُوحٍۢ مِّن قَبْلُ ۖ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ هُمْ أَظْلَمَ وَأَطْغَىٰ ﴿٥٢﴾
Als ook het volk van Noach, vóór hen: want zij waren ten hoogste onrechtvaardig en zondig.
وَٱلْمُؤْتَفِكَةَ أَهْوَىٰ ﴿٥٣﴾
En de straf des hemels bedekte haar.
فَغَشَّىٰهَا مَا غَشَّىٰ ﴿٥٤﴾
En de omvergeworpen steden, heeft hij ten onderst boven gekeerd.
فَبِأَىِّ ءَالَآءِ رَبِّكَ تَتَمَارَىٰ ﴿٥٥﴾
Welke der voordeelen van uwen Heer, o mensch! zult gij in twijfel trekken?
هَـٰذَا نَذِيرٌۭ مِّنَ ٱلنُّذُرِ ٱلْأُولَىٰٓ ﴿٥٦﴾
Deze gezant is een prediker, evenals de predikers, die hem voorafgingen.
أَزِفَتِ ٱلْـَٔازِفَةُ ﴿٥٧﴾
De dag des oordeels komt nader;
لَيْسَ لَهَا مِن دُونِ ٱللَّهِ كَاشِفَةٌ ﴿٥٨﴾
Er is niemand, die daarvan den juisten tijd kan bepalen, behalve God.
أَفَمِنْ هَـٰذَا ٱلْحَدِيثِ تَعْجَبُونَ ﴿٥٩﴾
Verwondert gij u dus over deze nieuwe openbaring?
وَتَضْحَكُونَ وَلَا تَبْكُونَ ﴿٦٠﴾
En lacht gij, in plaats van te weenen?
وَأَنتُمْ سَـٰمِدُونَ ﴿٦١﴾
Terwijl gij uw tijd in ijdele uitspanningen doorbrengt.
فَٱسْجُدُوا۟ لِلَّهِ وَٱعْبُدُوا۟ ۩ ﴿٦٢﴾
Vereert veeleer God en dient hem.